Inhoudsopgave
Vijftig tinten grijs waren aan Alex Jamin niet besteed. Voor hem waren de dingen zwart of wit, links of rechts; een middenweg bestond niet. Alles moest groots en meeslepend en tegelijkertijd tot in detail uitgevoerd worden. Een man van uitersten. Dat Alex ten gevolge van een zeer zeldzame bijwerking van medicijnen in anderhalve dag zo ziek werd dat hij stierf, past in dat plaatje.
Door: Karlijn van der Graaf
Je kon moeilijk om hem heen: Alex was groot en stevig van gestalte. Zijn bulderende lach was volgens zijn vriend Ed Moenen van Wyck tot in Malberg hoorbaar. Hij had over alles een mening en bleef daarbij, hoeveel steekhoudende argumenten daar ook tegenover gezet werden door anderen. Van gedachten wisselen was er dus niet bij; “Iech höb toch geliek!” beweerde hij dan. Volgens zijn partner Odie Bastings en Ed was dat achteraf inderdaad vaak het geval. Alex vond dat zachte heelmeesters stinkende wonden maken en prefereerde het verschaffen van helderheid, ook wanneer dat geen leuke boodschap betekende voor de ander.
Vertrouwen
Het maakte hem uiterst geschikt voor zijn werk in het onderwijs. Hij onderwees onder andere op de school van Vinkenslag en Huize Sint Joseph. Alex gaf luid en duidelijk aan wat hij van zijn leerlingen verwachtte. Tegelijkertijd schonk hij hen vertrouwen en schreef hen niet af op basis van hun gedrag. Wat Alex betreft verdienden ze een tweede kans. Probleemjongeren liepen met hem weg en gedroegen zich als makke lammetjes in zijn buurt. Voor hem deden ze zijn best, en menige voormalige leerling vond dankzij Alex zijn roeping. Hij bleef velen in de loop van de jaren volgen. En als hij in de stad verscheen, klonk het heel vaak: “Hé, meester Alex!”
Thuis
Met zijn eigen dochters Michelle en Nadine had hij in opvoedkundig opzicht minder te stellen dan met zijn leerlingen, al was hij heimelijk blij toen ook zij af en toe ‘batteraove’ bleken te zijn. Dat waren hij en zijn broer Henny ook nogal geweest vroeger, zo vertelde haar oma laatst nog aan Nadine. Als zonen van een buschauffeur groeiden de twee jongens op in een warm arbeidersgezin. Vader was volgens Henny streng maar rechtvaardig, hun moeder lief en hartelijk. De broers konden doen en laten wat ze wilden, maar als ze een grens overgingen dan zwaaide er wat.
In zijn eigen gezin bestierde de moeder van zijn dochters de boel thuis, terwijl hij veel van huis was. Naast zijn werk had hij namelijk de nodige hobby’s. Met Ed bezocht hij vele popconcerten in binnen- en buitenland. Alex moest en zou dan vooraan bij het podium staan, om zoals Ed stelt ‘zelfs de vullingen in het gebit van de artiest te kunnen zien’. En als fervent carnavalsvierder was Alex tientalen jaren actief bij de Kemeleers, waar hij na zijn vorst-schap diverse taken voor zijn rekening nam. Zo ontwierp hij elk jaar de medailles en blies recent de Wieker Paraad nieuw leven in met een hoge opkomst van hermeniekes als resultaat.
Noch einmal
Daarnaast was hij één van de zes leden van de Froeurs Copuleurs, met wie hij op carnavalsdinsdag in de Wolfstraat zo’n 25 jaar optrad met het playbacken van Duitse Schlagers. Hoewel Alex eraan gewend was zijn zin te krijgen, slaagde hij er ondanks verwoede pogingen niet in om het lied ‘Junge, komm bald wieder’ van Freddy Quinn in het repertoire te laten opnemen. De anderen vonden er niets aan, waarna Alex verzuchtte: “Draai het dan maar later tijdens mijn begrafenis!”, waarop de andere Froeurs lachend reageerden dat zelfs dat niet zou gebeuren.
Vanwege Alex’ hartproblemen en corona, waren de Froeurs Copuleurs de afgelopen jaren niet actief tijdens carnaval. Maar toen hij ten gevolge van het gebruik van medicijnen afviel, en het pekske weer paste, begon het te kriebelen. Er moest een grande finale komen; nog één laatste optreden. De Poshoorn werd gereserveerd voor de 10e januari. In de huiskamer van Alex en Odie kwam men 5 maal bijeen om te repeteren, want het moest een ware show worden. Alex regelde niet alleen een limousine waarmee de Froeurs naar het optreden vervoerd zouden worden, maar charterde daarnaast de Wyckse wijkagent om hen met zwaailichten te escorteren. En toen hij begreep dat vriend en mede-froeur Ed een 50 meter lange slinger met Duitse vlaggetjes had besteld voor de decoratie, bestelde Alex er nog 100 meter bij. Royaal moest het zijn.
Gul
Grote gebaren toonde hij ook als het om Odie, de kinderen en kleinkinderen ging. Hij verwende hen graag. De berg pepernoten en paaseieren kon nooit hoog genoeg zijn. En als vrienden kwamen eten, serveerde hij geen kaasplankje maar een tafel vol kaas; genieten met mate was niets voor Alex. Hij was niet een vader die zijn kinderen hielp met klussen, of met de kleinkinderen op de grond ging spelen. Liever trok hij alle registers open om bijvoorbeeld zijn schoonzoon te helpen om een record aan geld op te halen voor een goed doel, of organiseerde hij tot in de puntjes een tripje naar de Efteling inclusief overnachting voor de hele familie. En zelf was hij het grootste kind in zo’n pretpark.
Innerlijk
Naast alle bombarie buiten de deur en in gezelschap, kon hij thuis met Odie ook een zekere rust waarderen. Hij kalligrafeerde jarenlang alle bullen die uitgegeven worden door de universiteit; een precisiewerkje. Alex was een creatieve man, die ondanks het gegeven dat hij kleurenblind was, met oog voor detail spullen met eigen handen maakte. Onder andere van mergel, die hij een tijdlang verkocht in een eigen souvenirwinkel in Valkenburg.
Energiek
Een trotse man was hij ook. En soms deed hij zich flinker voor dan hij zich voelde. Als er onverwachte visite kwam en hij tot dat moment vanwege kortademigheid uitgeteld in de luie stoel had gezeten, veerde hij direct op en onthaalde de gasten enthousiast en ogenschijnlijk energiek. Om na hun vertrek bekaf terug op de zetel te zakken. Tussen Kerst en Oud & Nieuw werd hij ziek. Wat in eerste instantie een griep leek, bleek ernstiger. En ook nu openbaarde hij zich als een man van extremen; hij ging razendsnel achteruit. Van dat laatste, spectaculaire optreden met de Froeurs is het niet meer gekomen, maar tijdens Alex' uitvaart klonk alsnog die ene Duitse schlager: ‘Junge, komm bald wieder’.