Inhoudsopgave
Natuurlijk liep ik na de carnaval ook weer eens door de stad. Niet alleen door Maastricht, maar ook door het centrum van Antwerpen.
Maastricht was nog aan het bijkomen van de vastelaovend. Het was allemaal goed verlopen, geloof ik. Mij hebben althans geen wanklanken bereikt. Gelukkig ook niet over vuurwerk op het Vrijthof, waar ik tegen waarschuwde.
Op Aswoensdag was Antwerpen koud en guur. Van carnaval was in die stad geen sprake geweest, vertelde de kastelein van Bar Barok me. In Belgisch Limburg natuurlijk wel, voegde hij eraan toe, en in Aalst leeft de carnaval ook.
Om ons heen gingen diverse stellen - Vlamingen - aan tafeltjes zitten voor de ‘apéro’. Ze bestelden misschien niet toevallig allemaal een glas bubbels.
Oké, geen carnaval in Antwerpen dus, maar dat sloot een vergelijking met de Maastrichtse horeca niet uit. Wat maakt een café, restaurant of hotel een goede zaak, geredeneerd vanuit het belang van de stad en haar inwoners? Wie of wat maakt het verschil?
De aanleiding voor mijn beschouwing was de vuurwerk’post’ van zaterdag jongstleden, een faux-pas van Tom Hamaekers en niet meer dan dat. Hij levert met zijn vier zaken een grote bijdrage aan de Maastrichtse en Zuid-Limburgse sfeer en beleving, zoveel is wel duidelijk. Niet door af te wachten, maar door zichtbaar intelligente keuzes te maken en te investeren.
Mijn recente ervaring in diverse Maastrichtse hotels en jeugdherbergen - opgedaan tijdens het herstel van mijn onbewoonbare woning - nam ik mee in mijn onwetenschappelijke privé-onderzoekje. Naar cafés en restaurants ben ik ontelbare malen geweest. Vaak had ik daar een mening over, zelden ben ik achter het klavier gaan zitten om mijn mening te overdenken en onder woorden te brengen.
Ik richt me in deze bijdrage aan de horeca-ondernemers van Maastricht. Hopelijk voelen zij zich net als ik mede-verantwoordelijk voor de instandhouding van ‘ons’ Maastricht, van het eigene, van het goudklompje waar John Aarts het altijd treffend over heeft. We mogen dat niet (laten) verkwanselen.
In Antwerpen viel mij het grote aantal nieuwe zaken op. Daar zaten natuurlijk diverse ‘vreemde’ formules tussen. Veel Koreaanse restaurants, maar ook een sjieke friterie uit Amsterdam is er neergestreken. Kan dat wel, in België? Wie zijn we in Maastricht eigenlijk om daar iets van te vinden? Wij eten toch ook niet enkel zuurvlees en hoofdkaas? Bij een bepaalde sushi-zaak ben ik zelfs vaste gast. Diverse restaurants met ‘vreemde’/niet-Franse keukens en uitstraling worden bovendien door de Maastrichtenaar als ‘eigen’ gekoesterd. Denk aan Gio’s, Il Bacaro en zelfs Wen Chow en La Chine.
Wat me in Antwerpen verder opviel, is dat het verschil niet door het kale product gemaakt wordt, maar door de mens. Het is - bijvoorbeeld - de barman die aansluiting weet te vinden bij zijn gasten, waarmee hij voor een onvergetelijke ervaring zorgt. Een goed getapt glas bier of een aangename cava serveren wordt als normaal gezien, als vrij eenvoudig te realiseren; ‘rapport’ oftewel verbinding met de gastheer of -vrouw is echter voor ons als gasten te vaak afwezig, waar we ook zijn.
Voor de thuissituatie vind ik bovenal van belang dat de Maastrichtenaar zich in de eigen stad en in de eigen horeca (weer) thuis voelt en blijft voelen. Het eigene bewaken en bewaren betekent dat de Maastrichtenaar niet moet worden afgestoten maar binnengesloten. Voor een deel ís de Maastrichtenaar namelijk het goudklompje. Hij (of zij) draagt de Maastrichtse cultuur.
Dat vereist eerst en vooral het bereiken en handhaven van een hoog niveau van gastvrijheid. Zo zal de gast in het Maastrichts of toch op zijn minst het Nederlands aangesproken moeten worden. Niet in het Engels, dat klinkt als een valse noot, hoor ik te vaak om me heen. Ook voor vele vijftig-minners die die taal prima machtig zijn.
Ik weet dat het moeilijk is geschikt personeel te krijgen, maar er zijn wel degelijk horecabedrijven die met succes Nederlandstaligen blijven werven. Vaak zijn het diezelfde werkgevers die de passie voor gastvrijheid het beste weten over te brengen. Nietwaar, Tom? Het is natuurlijk heel gastvrij als het personeel moeiteloos kan omschakelen naar een andere taal.
Geschreven instructies aan gasten hoeven natuurlijk niet in het Mestreechs gegeven te worden, maar wel in het Nederlands en zeker niet uitsluitend in het Engels. Dat laatste zag ik onlangs in een Maastrichts hostel, met Maastrichtse eigenaren, en ik voelde me er als een kat in een vreemd pakhuis.
Goed personeel weet ook hoe belangrijk het is voor een gast als hij herkend (en dus érkend) wordt bij het zoveelste bezoek. Trouwens, ook de passant wil graag welgemeend welkom geheten worden bij binnenkomst en gegroet bij vertrek.
Gastvrijheid maakt het verschil. Van meer aandacht voor dat vak profiteert iedereen mee mee, de gast voorop. Het zou in de beleving de steeds hogere prijzen zelfs voor een deel kunnen rechtvaardigen. Het zal de winstgevendheid van de horeca bevorderen, maar ook van andere branches zoals de detailhandel. En het belangrijkste, de Maastrichtenaar zal zich meer thuis in eigen stad gaan voelen.
De Sphinx
