Inhoudsopgave
Donderdagavond was ik aan het einde van de avond aanwezig bij Lilly’s Petit Bistro in de Rechtstraat. In dit ‘woonkamertje’ in Wyck liep ik diverse bekenden tegen het lijf. Eén van de gasten van Lilly’s die ik nog niet kende, ving op enig moment op dat ik notaris ben en een passie heb voor het grasduinen in archieven.
Hij vroeg mij hoe die passie was ontstaan. Al pratende met deze gast vertelde ik hem dat ik elke week een historisch verhaal schrijf voor de lezers van De Nieuwe Ster. “Ga weg, dat méén je niet?! Ben jíj dat?!”, was zijn reactie. Hij bleek elke week mijn verhaal te lezen en in de veronderstelling te zijn dat ik “een of andere oude man” was die historische verhalen schrijft. Ik werd overladen met complimenten voor het toegankelijk maken van de persoonlijke geschiedenis van mensen in de stad. Deze gast van Lilly’s kwam er niet over uit dat hij mij persoonlijk had ontmoet. Zijn beeld van mij was volledig veranderd na deze ontmoeting. Voor alle andere lezers van De Nieuwe Ster die mij nog niet kennen: ik deel deze week een afbeelding die ChatGPT van mij maakte.

Historisch Café Maastricht
Voordat ik donderdagavond naar Lilly’s liep, was ik als gastheer aanwezig bij de drieëntwintigste editie van het inmiddels befaamde Historisch Café Maastricht (HCM) in het Pesthuys. De eerste editie van het HCM vond plaats in januari 2024. Twee maanden later schreef ik mijn allereerste historische verhaal voor de lezers van De Nieuwe Ster. Het jaar 2024 mag dus met recht een historisch vruchtbaar jaar worden genoemd.
Cultuurwetenschapper Ewout van den Engel was één van mijn gasten donderdagavond. Hij publiceerde onder meer de essays “Op zoek naar de Mestreechter Geis: voor studenten, Hollanders en Sjengen” en “Limburg: het zou een land moeten zijn”. De identiteit van de Limburger was één van de thema’s tijdens de voordracht van Ewout, evenals de hoeveelheid verschillende dialecten die binnen Limburg gesproken worden. Peter Scheele, een vaste gast van het HCM, verzorgde een zeer interessante voordracht over ons historisch besef, en de herkomst daarvan. Hierbij kwam onder meer het opleuken van geschiedenis ter sprake. Eén van de voorbeelden die Peter noemde, was de musical Willem van Oranje, die momenteel furore maakt in het Prinsentheater in Delft. Blijkbaar is muziek en zang nodig om geschiedenis aan de man (en de vrouw) te brengen. Vorige maand noemde de Volkskrant de musical overigens “een vermakelijke geschiedenisles”. De duistere kanten van onze “Vader des Vaderlands”, zoals Willem van Oranje genoemd wordt, zullen ongetwijfeld niet aangestipt worden in deze musical. Het moet immers wel leuk blijven.

Kaarsen voor het garnizoen
Geschiedenis is niet saai en hoeft niet opgeleukt te worden om interessant te zijn voor een breed publiek. Dat geldt ook zeker voor de geschiedenis van de stad Maastricht en haar inwoners. Ik neem jullie vandaag mee naar het spannende jaar 1794. Op 19 september van dat jaar arriveerde een Franse troepenmacht van ongeveer 35.000 manschappen bij Maastricht. De nog piepjonge Franse Republiek had haar zinnen gezet op de eeuwenoude vestingstad aan de Maas. In 1673 en 1748 was de stad al eerder eens veroverd door Frankrijk, dat toen nog een monarchie was. Niet lang nadat de Fransen bij Maastricht waren gearriveerd, kreeg het bestuur van het Maastrichtse vleeshouwersambacht (ook wel het beenhakkersambacht genoemd) de opdracht van het Maastrichtse stadsbestuur om (dierlijk) vet te leveren dat gebruikt werd om kaarsen te maken voor het Maastrichtse garnizoen. Het stadsbestuur had bepaald dat de levering van het vet op krediet moest geschieden. Omdat de stad inmiddels afgesloten was van de buitenwereld, en de militairen in de stad doorbetaald moesten blijven worden, was op enig moment een tekort aan contant geld ontstaan. Het stadsbestuur zou daarom op een later moment de rekening voor het geleverde vet voldoen aan het vleeshouwersambacht.

Franse munten
Het bestuur van het vleeshouwersambacht maakte zich zorgen over deze opdracht vanuit het stadsbestuur. Diverse leden van het ambacht leefden namelijk uitsluitend van de verkoop van vlees en vet. Als deze leden niet gelijk betaald zouden worden voor het geleverde vet, dan zouden ze ook geen bestaan meer hebben. Om die reden besloot het ambacht een geldlening aan te gaan zodat leden die het geld nodig hadden ook betaald konden worden. Voor die geldlening was toestemming nodig van datzelfde stadsbestuur dat had bevolen om vet op krediet te leveren. Die toestemming werd verleend op 4 oktober 1794. Nog diezelfde maand, op 21 oktober, zaten Joannes Nijst en Paulus Dubien aan tafel bij de Maastrichtse notaris Lambert Hendrik Wouters. Joannes en Paulus vormden het bestuur van het ambacht. In de akte die notaris Wouters opmaakte die dag werd vastgelegd dat Nicolaus Dubien, die eveneens lid was van het ambacht, tegen een rente van vijf procent een bedrag van duizend gulden leende aan het ambacht. Expliciet werd bepaald dat de rentebetalingen en aflossingen uitsluitend zouden mogen geschieden in “france croonen”. Wellicht liep de geldschieter al op de zaken vooruit, namelijk dat Maastricht op korte termijn een Franse stad zou worden. En in zo’n situatie kon je ook maar beter beschikken over Franse munten. Anticiperen op komende veranderingen is een continu menselijk proces.

Vleesbanken als onderpand
Geldschieter Nicolaus Dubien wilde uiteraard zekerheid ontvangen voor zijn lening. Die zekerheid werd door het ambacht verleend in de vorm van een hypotheekrecht (tegenwoordig zouden we dat een pandrecht noemen) op alle vleesbanken in het vleeshuis in de Grote Staat. Een vleesbank vormde een belangrijk vermogensbestanddeel. Zo’n vleesbank werd door vleeshouwers gebruikt om in het vleeshuis hun vleeswaren uit te stallen voor het publiek. Regelmatig werden vleesbanken via een notariële akte verkocht of verhuurd. Blijkbaar had het ambacht de juridische bevoegdheid om een zekerheidsrecht te vestigen op die vleesbanken.
Vanaf 31 oktober 1794 zou Maastricht zwaar gebombardeerd worden door de Fransen. Uiteindelijk besloot de militaire gouverneur van Maastricht, prins Frederik van Hessen-Kassel, om te capituleren. Een dag later werd het capitulatieverdrag ondertekend. Maastricht werd vervolgens overspoeld door Franse militairen en ambtenaren. Twintig jaar lang zouden de Fransen het in onze stad voor het zeggen hebben. In 1814 werd Maastricht een Nederlandse stad.
