Inhoudsopgave
De gezellig volle Papyruszaal van het Theater aan het Vrijthof zoemt met verwachting. Het publiek is gevarieerd, van groepjes tieners tot echtparen met al wat jaren in de gewrichten, en de enthousiaste gesprekken over van-alles-en-nog-wat worden zowel in het plat Mestreechs als met een duidelijk noordelijke tongval gevoerd.
Door IJsbrand van Lambalgen
De lichten gaan uit en de stemmen ebben weg. Even, hoewel het langer voelt, is het aardedonker in de zaal. Dan gaan de gordijnen open. Het decor is vrijwel volledig wit en helder uitgelicht. Drie wanden, waarvan één met een deur, bieden een fysiek kader dat enerzijds beklemmend is en anderzijds overzicht biedt. Vier personages, Wanja, Sonja, Maria en Telegin, zitten op het podium maar lijken elkaar of het publiek nog niet opgemerkt te hebben.
Het verhaal komt langzaam op gang en we leren de personages stukje bij beetje kennen. “Gewone mensen met grote problemen,” noemt regisseur Michel Sluysmans hen. Ongeluk in de liefde, het einde van het leven dat in zicht komt, en dromen die nooit meer in vervulling zullen komen. Omdat de toeschouwer zichzelf of een naaste herkent wordt hij of zij meteen meegesleept in het verhaal.
Het decor blijft de hele voorstelling minimaal. De personages spreken tegen zichzelf en elkaar staand of zittend op komisch kleine stoelen. Eén buiten proportie grote stoel, een tafeltje met shotglazen er op en een beeld van een gigantische boom worden op bepaalde momenten ten tonele gevoerd. De heel gericht gekozen decoritems voorkomen dat het schouwspel zich afspeelt in een vacuüm, maar laten het publiek ook de kans om de verdere context zelf naar wens in te vullen.
Dat is een bewuste keuze van decorontwerper Michiel Voet en regisseur Sluysmans. Die laatste beschrijft de setting als “een tijdloos hier en nu dat Rusland heet, maar dat net zo goed Nederland zou kunnen zijn.” Dat komt ook terug in de gesproken tekst. ‘De grote stad’, ‘de bossen, de stallen en de silo’s’ voelen allemaal specifiek maar zijn toch vaag genoeg om precies te betekenen wat de toeschouwer wil dat ze betekenen.
Helaas wordt die illusie, die narratieve truc, een paar keer doorbroken, doordat personages het ineens over heel eigentijdse dingen hebben. Zo haalt Sonja bubbeltjesfolie aan als een voorbeeld van iets wat alledaags is maar toch mooi. Doordat het grootste deel van de gesproken tekst inderdaad tijdloos is, springen woorden als bubbeltjesfolie er op een heel wringende manier uit. Het is een creatieve keuze over de balans tussen trouw zijn aan het bronmateriaal en de personages herkenbaar maken voor het publiek, maar enkele keren is die balans niet helemaal gevonden.
Het alledaagse en herkenbare is een definiërend kenmerk van dit toneelstuk. “Oom Wanja is een stuk waarin heel veel gebeurt, maar waarin niks verandert,” vertelt Sluysmans. De “komedie van de stilstand” is dan ook tot op zekere hoogte vooral expositie. Personages die door hun acties en woorden niet zozeer iets veranderen, maar wel zichzelf en de andere personages voorstellen aan het publiek. Na elke interactie zijn hun worstelingen begrijpelijker en hun frustraties voelbaarder.
Het is de antithese van de whodunnit, het detectiveverhaal dat eindigt in het ontmaskeren van de moordenaar. Voor een publiek dat het geduld heeft om evenveel, of zelfs méér, te genieten van de weg náár de bestemming, als van de bestemming zelf, is het dan ook gefascineerd smullen.
Het medium van theater leent zich hier ook uitstekend voor. Door de afwezigheid van cameratrucs en achtergrond muziek zijn de acteurs inherent expressiever in hun bewegen en spreken. Het schreeuwen, het vloeken, het zuipen en het huilen van de personages geeft vorm aan emoties die moeilijke te uiten zijn in het dagelijkse leven.
De Wanja van Sluysmans en schrijver Peer Wittenbols is dan ook een luidruchtig personage. Een personage dat niet cynisch voor zich uit mompelt maar schreeuwt in frustratie en machteloze woede. Hij is ruw, confronterend en emotioneel. Het ene moment ben je het met hem eens, het andere moment vind je dat hij zijn zwartgallige gekwaak voor zich moet houden. Die diepte en dynamiek in de personages is typerend voor het werk van Tsjechov, en komt uitstekend naar voren in deze bewerking en uitvoering.
Het personage van Telegin biedt een prettige stem tegen de cynische uitlatingen van de personages rond hem. Zo heeft hij geaccepteerd en vrede gevonden met zijn uiterlijk, en wenst hij zijn ex-vrouw geluk en vrede toe. Hij wordt dan ook telkens de mond gesnoerd en smalend ‘pudding’ genoemd.
Dokter Astrov is niet alleen personage met een grote bandbreedte, van cynisch over het menselijk bestaan tot lovend en dromend over de schoonheid van de natuur, maar ook uitstekend neergezet door Jan-Paul Buijs. Van een bedreven relaas over het herstellen van oerbossen tot straalbezopen ongepaste grappen maken of met hartzeer vertellen over een patiënt die sterft onder zijn handen, Buijs verdwijnt en Astrov staat op het podium.
De andere grote creatieve keuze van Sluysmans en Wittenbols is het gebruik van liederen in de voorstelling. “Dat zit niet in het origineel,” vertelt Sluysmans. “ Tsjechov schrijft dat het personage Ilya Telegin op een gitaar tokkelt. Dat heb ik geïnterpreteerd als een muzikant die niet een beetje tokkelt maar echt ingrijpt met het zingen van liederen.”
Die keuze is heel doordacht en gebalanceerd uitgevoerd, en het resultaat is dan ook zeer geslaagd. De eenvoudige maar sterke melodieën trekken aan de snaren van het hart door de melancholische harmonie tussen de zangstemmen. De acteurs zingen heel ingetogen, en klinken zelfs tijdens het zingen als gewone mensen. De liederen zijn ook doeltreffend spaarzaam ingezet. In tegenstelling tot een musical waar elk belangrijk moment ontaardt in passioneel gezang, springen de zangmomenten er uit en bieden een zekere ontlading maar ook afwisseling in wat anders twee uur gesproken tekst zou zijn.
De twee uur die het toneelstuk duurt vliegen voorbij. Ondanks de stilstand die centraal staat in het verhaal, is er een opbouw naar de emotionele ontknoping van het stuk. Zonder de clou weg te geven ontaard de frustratie van de personages in een wanhopige poging tóch nog iets te veranderen. Terwijl de ophef en chaos daarvan nog nazindert verlaten Professor Alexander, Jelena en dokter Astrov zowel fysiek als narratief het decor.
Dan, als de eerste koele bries na een benauwde zomerdag barst Sonja los in haar slotmonoloog, een pleidooi voor al het moois in het leven. Voor het openstaan voor moois, maar ook voor het elke dag werken om méér moois te realiseren. Het podium is opnieuw vrijwel leeg maar helder verlicht. Wanja, Sonja, Maria en Telegin zitten weer op hun stoelen. De gordijnen sluiten en de aardedonkere zaal vult zich met een, welverdiend, donderend applaus.
Ook Sluysmans is na afloop zeer tevreden over de voorstelling. “Alle betrokken disciplines vielen prachtig samen: de tekst was niet ondergeschikt aan de muziek, de acteurs niet ondergeschikt aan het decor, enzovoort. En dat heeft het publiek gehoord en gezien. Het publiek heeft zichzelf ook herkend in de personages. Dat was te merken in het applaus, maar ook in de reacties en gesprekken achteraf. 2000 mensen zijn komen kijken naar de drie voorstellingen (nvdr: twee try-outs en de première), en daar ben ik enorm trots op. Theaterpubliek is gemiddeld wat ouder, maar er zijn ook veel jongvolwassenen en toneelschoolstudenten komen kijken, en dat is heel leuk.”