Inhoudsopgave
Het Regionaal Historisch Centrum Limburg (HCL) in de Sint Pieterstraat beheert het archief van het Brabants Hooggerecht van Maastricht. Dit voor de geschiedenis van Maastricht uitermate belangrijke archief beslaat de periode 1314-1796 en omvat maar liefst ruim zevenenvijftig strekkende meter archiefmateriaal. Tot dit archief behoren onder meer de criminele rollen (1637-1796). In de rolregisters werd het verloop van een (crimineel) proces genoteerd. Ook het uiteindelijke vonnis is terug te vinden in die rolregisters. In de achttiende eeuw ging het er in Maastricht niet bepaald zachtzinnig aan toe op het gebied van bestraffing van veroordeelden. Geseling, brandmerking en verbanning waren veelgebruikte strafmaatregelen. Hoe anders is de situatie anno 2026. We maken deze week een tijdreis naar de achttiende eeuw.

“Hoerengespuijs”
In Maastricht werden veel processen gevoerd die verband hielden met prostitutie. Voor dames van lichte zeden was Maastricht een zeer aantrekkelijke stad. Dat kwam omdat Maastricht een garnizoensstad was. Duizenden militairen waren constant aanwezig in de stad. Die militairen zochten vertier. Bordeelhouders en prostituees werden zeer streng gestraft in Maastricht. De dames kwamen van heinde en verre, en waren soms zelfs minderjarig. Zo werden in 1748 twee zeventienjarige meisjes in Maastricht gearresteerd omdat ze “hoerengespuijs” waren. Het waren Anna Maria Stranck, die geboren was in Silezië, en de in Bohemen geboren Anna Maria Colsin. Tot een veroordeling zou het niet komen. Zij overleden allebei tijdens hun detentie. Helaas werd de oorzaak van hun overlijden niet genoteerd, maar deze twee overlijdens roepen wel vragen op.

Een mislukte diefstal in de Sint Janskerk
Ook minder pikante zaken werden behandeld door het Brabants Hooggerecht. Op 14 februari 1717 was Nicolaes van Hall aanwezig in de Sint Janskerk. Zijn psalmboek zat in zijn zak. De in Gent geboren Jan Baptist Boneel liep op dat moment door de kerk. Op slinkse wijze wist Jan Baptist het psalmboek van Nicolaes uit zijn zak te stelen. Hij werd echter betrapt, liet het boek vallen, en probeerde vervolgens te vluchten. Die vluchtpoging mislukte. Jan Baptist werd “geapprehendeert” (gearresteerd) en overgeleverd aan justitie. Op 23 maart deed het Brabants Hooggerecht uitspraak in deze strafzaak. Jan Baptist zou door de scherprechter (beul) met twaalf roeden worden gegeseld, waarbij elke roede zes keer gebruikt zou moeten worden. In totaal zou Jan Baptist dus maar liefst 72 keer met een roede worden geslagen, waarschijnlijk nadat zijn bovenlijf was ontbloot. Maar dat was niet alles. Ook zou Jan Baptist gebrandmerkt worden. Brandmerking was een lijfstraf waarbij een gloeiend ijzer (brandijzer) op een zichtbare plek op het lichaam werd geplaatst zodat een brandmerk ontstond. De scherprechter smeerde vaak buskruit in de gebrande wond, zodat een duidelijke brandtekening zou ontstaan. Ook werd Jan Baptist voor eeuwig verbannen uit Maastricht. Nooit meer mocht hij zijn gezicht laten zien. En dat voor een mislukte diefstal van een boek.

Een echt boefje
Toen Jan Bapist Boneel gearresteerd werd in de Sint Janskerk had hij al een reeks aan veroordelingen in andere steden achter de rug, zo blijkt uit het vonnis van het Brabants Hooggerecht. In het verleden was hij wegens “buersesnijderie” (zakkenrollerij) al verbannen uit de steden Sint-Winoksbergen (Noord-Frankrijk) en Ieper (tegenwoordig België). In 1708 en 1709 werd hij in verband met diefstal gegeseld en gebrandmerkt in Gent, en uit de stad verbannen. Jan Baptist bleek hardleers, want in 1711 werd hij in Gent veroordeeld tot opsluiting in het rasphuis. Een rasphuis was een tuchthuis waar veroordeelde misdadigers verfhout moesten raspen ten behoeve van de verfindustrie. Hij wist echter te ontsnappen uit het rasphuis. In 1716 werd hij wegens “vagabonderij” (zwerven) en diverse diefstallen in Brussel veroordeeld tot geseling en verbanning. Jan Baptist Boneel was dus een echt boefje.

Een vondeling in de Bredestraat
Wie ook wegens (onder meer) diefstal werd veroordeeld, was de in Nederweert geboren, maar in Maastricht woonachtige, Hendrick Limpens. Op 23 februari 1736 was het hem gelukt om met behulp van ijzerdraad aan een houtje de deur van het bastion Maria, gelegen buiten de Brusselsepoort, te openen. Vervolgens had hij uit twee kazematvensters in dat bastion zes ijzeren staven weten te verwijderen. Die staven had hij verkocht. Een dag later had hij zich op diezelfde manier toegang verschaft tot het bastion Dopff. Ook daar had hij diefstal gepleegd, en ook die buit werd verkocht. Nog diezelfde dag had hij in de avond diefstal gepleegd in een leegstaand huis op de Tongersestraat. Hij had bij die diefstal hulp gekregen van Catharina Maesen, de vrouw waarmee Hendrick een buitenechtelijke relatie onderhield. Hendrick was namelijk getrouwd en had een kind. Catharina was in verwachting geraakt en had aan het einde van de zomer van 1735 een kind op de wereld gezet. Hendrick had Catharina het advies gegeven om dit bastaardkind te vondeling te leggen. Diezelfde dag, in de avond, waren Hendrick en Catharina samen met hun pasgeboren kind door de Oude Tongersepoort (Lenculenpoort) gelopen. Die poort was gelegen aan het westeinde van de Lenculenstraat, waar deze overgaat in de Tongersestraat. Vervolgens waren ze door de Papenstraat en langs het Vrijthof gelopen, daarna door de Platielstraat en de Wolfstraat, om tenslotte het pasgeboren kindje in de Bredestraat voor het huis van de voormalig schepen (een stedelijk bestuurder en rechter) Poilvasche te vondeling te leggen. Waarom Hendrick en Catharina uitgerekend voor dit huis kozen, heb ik niet kunnen ontdekken.

Drie misdrijven
Het Brabants Hooggerecht was van mening dat Hendrick zich schuldig had gemaakt aan drie misdrijven, namelijk diefstal, overspel en het te vondeling leggen van een kind. Op 4 april 1736 werd uitspraak gedaan. Het vonnis luidde dat Hendrick op een schavot, met een strop om zijn nek, door de scherprechter met twaalf roeden gegeseld zou worden. De scherprechter zou daarbij elke roede vier keer gebruiken. Achtenveertig slagen met de roede zou Hendrick dus krijgen. Na de geseling zou Hendrick gebrandmerkt worden. Ook werd hij voor eeuwig verbannen uit Maastricht. Als hij ooit zou terugkeren naar Maastricht, en in handen zou vallen van justitie, dan zou hij opgehangen worden. Dat was ook de reden dat hij met de strop om zijn nek gegeseld werd, als voorbode van zijn straf bij terugkeer naar Maastricht.
Wat gebeurde er met Catharina Maesen, het liefje van Hendrick Limpens? Zij had tijdig op de vlucht weten te slaan en bleef daardoor uit handen van justitie.
Een illegale vroedvrouw
Of tijdens de bevalling van Catharina Maesen een vroedvrouw aanwezig was, wordt nergens vermeld. Eén van de in Maastricht werkzame vroedvrouwen was Anna Dorothea Holthuijsen, echtgenote van Nicolaes Raad. Anna Dorothea was geen echte vroedvrouw. Zonder officiële aanstelling was zij zich vroedvrouw gaan noemen en assisteerde zij bij bevallingen. In juli 1744 werd zij opgetrommeld om te assisteren bij de bevalling van Barbara Buske, echtgenote van de soldaat Arnold van Ham. Vlak nadat het kind ter wereld was gekomen, ging het gruwelijk mis omdat Anna Dorothea geen onderscheid wist te maken tussen de placenta en de “lijffmoeder” (baarmoeder). Per ongeluk knipte Anna Dorothea in de baarmoeder toen zij de navelstreng wilde afknippen. Barbara Buske kreeg vervolgens stuiptrekkingen en raakte meerdere keren buiten bewustzijn. Uiteindelijk was zij door de “grove en ongeoorlofde onweetentheijd” van Anna Dorothea Holthuijsen overleden. Op 16 december 1744 besloot het Brabants Hooggerecht de illegale vroedvrouw voor eeuwig te verbannen uit de stad.
