Doorgaan naar artikel

Een lelijke stinkende poedel in het Lang Grachtje

Het Lang Grachtje, na de sloop van de arbeiderswoningen tegen de stadsmuur aan. Beeld: Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Documentnummer: OF-07781

Inhoudsopgave

Wildplassen en -poepen is in Nederland niet landelijk verboden. In de meeste gemeenten is deze activiteit wel strafbaar gemaakt via de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Artikel 4.1 van de APV van Maastricht luidt: “Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats.”

Door Stefan Vrancken

Ook in de negentiende eeuw was wildplassen en -poepen verboden in Maastricht. Op 17 juni 1862 werd door drie getuigen aangifte gedaan tegen de vierenvijftigjarige Christiaan Maes die in de Christusstraat woonde. Deze straat lag tussen de Sint Antoniusstraat (de huidige Sint Teunisstraat) en de Maastrichter Grachtstraat, maar verdween tijdens de vernieuwing van het Boschstraatkwartier in het laatste kwart van de vorige eeuw. We duiken deze keer in het archief van de gemeentepolitie van Maastricht.

Een fragment van de allereerste negentiende-eeuwse kadastrale kaart van de gemeente Maastricht. Bijna onderaan, rechts, is te lezen: “Christus Straat - Rue du Christ”. In de Christusstraat woonde de wildpoeper Christiaan Maes. Deze verdwenen straat lag tussen de Sint Antoniusstraat (de huidige Sint Teunisstraat) en de Maastrichter Grachtstraat. Beeld: Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Betrapt door spijkermakers

Het archief van de Maastrichtse gemeentepolitie wordt beheerd door het Historisch Centrum Limburg (HCL) in de Sint Pieterstraat. Tot dit archief behoort onder meer een serie registers van aangiften en klachten uit de jaren zestig, zeventig en tachtig van de negentiende eeuw. Op dinsdagavond 17 juni 1862 waren volgens één van die registers drie Maastrichtenaren er rond half negen getuige van dat de hiervoor genoemde Christiaan Maes in de Maastrichter Pastoorstraat “zijne groote natuurlijke behoefte” verrichte. De drie getuigen besloten nog diezelfde avond bij de politie melding te maken van dit wildpoepen door Christiaan Maes. Door wie werd Christiaan verlinkt? Het waren Karel Bergholtz uit de Uitbelderstraat, de op Hoogfrankrijk woonachtige Theodoor Courtens, en Johannes de Lille die in de Capucijnenstraat woonde. Alle drie waren ze spijkermaker van beroep.

Een met ChatGPT gemaakte afbeelding van een negentiende-eeuwse wildpoeper.

Een “scheele dievinne”

Op donderdagmiddag 30 oktober 1862 meldde zich om half vier bij de politie de zevenenveertigjarige dagloonster Josephina Servaas, echtgenote van Hendrik Aussems. Zij wilde een klacht indienen. Josephina woonde in het Lang Grachtje. De avond daarvoor was zij rond de klok van half zeven de straat afgelopen. Plotseling werd zij nageroepen door Margaretha Bepler, weduwe van Willem Fraiquin. Margaretha woonde in de Hilariusstraat, gelegen tussen het Lang Grachtje en de Tafelstraat. Margaretha riep: “daar gaat die scheele canaille, die scheele dievinne, die voor 3 ½ frank gestolen goed in het huis had”. Het woord “canaille” werd in Maastricht veel gebruikt in die tijd, maar ook in de zeventiende en achttiende eeuw. Het is een scheldwoord voor onbetrouwbaar volk, gepeupel, schorem. Margaretha riep ook op straat dat als Josephina de gestolen goederen niet uiteindelijk betaald zou hebben, dat zij haar dan naar “de minnebroeders” gebracht zouden hebben. Op het terrein van het tweede Minderbroedersklooster (Minderbroedersberg/Patersbaan) lag in die tijd de vrouwengevangenis.

Margaretha ging op straat verder met haar beschuldigingen richting Josephina. Zo zou Josephina bij de schoonmoeder van Margaretha een half brood hebben gestolen en dit aan haar man “te vreeten gegeeven” hebben. Josephina zou ook een politieagent getrakteerd hebben op krentenbroodjes, krentenmik en “drupkes” (een borrelglas sterke drank), maar ook die broodjes en mik had zij gestolen, zo beweerde Margaretha.

Het Lang Grachtje, gezien vanuit de Sint Pieterstraat (omstreeks 1900). Links liggen arbeiderswoningen die gebouwd waren tegen de eerste stadsmuur. Omstreeks 1904-1908 werden deze woningen gesloopt, waardoor de straat breder werd. In het Lang Grachtje woonden Josephina Servaas en Hendrik Aussems. Beeld: Beeldbank Historisch Centrum Limburg (HCL

Een “lelijke stinkende poedel”

Terwijl het tafereel zich afspeelde op straat, kwam Johanna Aussems, de dochter van Josephina Servaas aanlopen. Johanna was tweeëntwintig jaar oud en was de kersverse echtgenote van Pieter Michon. Zij was sigarenmaakster van beroep en woonde met haar man in de Sint Pieterstraat. Omdat Johanna zich afvroeg wat er aan de hand was, zei ze tegen haar moeder: “wat is dat moeder?”. Vervolgens begon Margaretha te schreeuwen tegen Johanna: “wat moet je vragen, lelijke stinkende poedel?”. Margaretha ging verder met de navolgende woorden die mijn interesse wekten: “je heb je tegen de bareel op laten hangen”. Ik stelde ChatGPT de vraag wat die uitdrukking zou kunnen betekenen. Als antwoord ontving ik het onderstaande uitgebreide antwoord:

“Een bareel was een slagboom of tolhek aan de ingang van een stad of op een weg waar tol werd geheven. In Maastricht en andere steden stonden barelen bij stadspoorten of belangrijke wegen. In oudere spreektaal betekende “zich laten hangen” niet alleen letterlijk hangen, maar ook zich ergens tegenaan laten drukken/laten nemen. In scheldpartijen had het vaak een seksuele bijbetekenis. Met andere woorden: de ene vrouw beschuldigt de andere ervan zich seksueel te hebben laten gebruiken op een openbare plek. Dat komt neer op iemand voor prostituée, losbandige vrouw of ‘slet’ uitmaken. Barelen waren plekken waar reizigers stopten, tolgaarders werkten, en waar ’s avonds soms dubieuze ontmoetingen plaatsvonden. Daarom kon zo’n plek in scheldtaal symbool worden voor openlijke of goedkope seksuele omgang”.

Een lijkstoet die door de Sint Pieterstraat trekt, in 1845 getekend door de bekende Maastrichtse tekenaar Philippe van Gulpen. Rechts ligt de Waalse Kerk, en links is de hedendaagse locatie van het Historisch Centrum Limburg (HCL) te zien. In de Sint Pieterstraat woonde het echtpaar Pieter Michon en Johanna Aussems. Beeld: Public Domain, Wikimedia Commons

Een buitenechtelijke zoon

Ruim tien maanden vóór haar huwelijk met Pieter Michon was Johanna Aussems bevallen van een buitenechtelijke zoon. Deze werd op 10 oktober 1860 geboren als Johannes Hendricus Aussems, maar werd door Pieter Michon erkend toen hij op 21 augustus 1861 trouwde met Johanna Aussems. Vanaf dat moment zou dit jongetje onder de familienaam Michon door het leven gaan. Het is zeer twijfelachtig of Pieter Michon ook de verwekker van het kind was. In die tijd was het gebruikelijk dat een bruidegom de eerder geboren buitenechtelijke kinderen van zijn bruid erkende, ook al was hij niet de biologische vader. Was deze buitenechtelijke zoon van Johanna Aussems wellicht de reden dat Margaretha Bepler van mening was dat Johanna zich tegen de bareel op had laten hangen?

Margaretha had overigens de smaak te pakken toen zij op straat tekeerging tegen Josephina Servaas en haar dochter Johanna Aussems. Volgens Margaretha had Pieter Michon, de echtgenoot van Johanna, “een halve rotte klootzak”. Dit zou kunnen duiden op een vermeende (seksuele) tekortkoming, maar ook op bijvoorbeeld een geslachtsziekte. Hoe dan ook, het was een zeer grove belediging. Vervolgens gebeurde er iets dat alle omstanders op straat ongetwijfeld versteld deed staan. Margaretha tilde de rok van Johanna op tot onder haar armen waardoor alle kinderen en iedereen die op straat stond de “schameldeelen” (de schaamstreek) van Johanna zag. Iedereen kon bovendien zien dat Johanna “aan haar regels was”, dus dat zij ongesteld was. Margaretha Bepler sloot het hele gebeuren af door met haar handen op het “blootgat” van Johanna Aussems te slaan. 

Bij het noteren van de klacht in het politieregister werden ook de Maastrichtenaren vermeld die aanwezig waren toen zich dit alles afspeelde op straat. Dit waren de zeventienjarige Gerardus Koch, de zeventienjarige dagloner Franciscus Everaars, Maria Bartholet (echtgenote van Simon Plasier), de negenendertigjarige weduwe Elisabeth Drittij (de moeder van de hiervoor genoemde Gerardus Koch) en de negentienjarige fabrieksarbeidster Josephina van der Biesen. Dit waren allemaal bewoners van het Lang Grachtje.

Hoewel alle uitlatingen van Margaretha Bepler in de Nederlandse taal werden genoteerd, zal de hele scène zich ongetwijfeld in het plat Maastrichts hebben afgespeeld. Hoe graag had ik muisje willen zijn in het Lang Grachtje op woensdagavond 29 oktober 1862.

Ik wens alle lezers van De Nieuwe Ster een fijn weekend.

Een met ChatGPT gemaakte afbeelding van een straatruzie in het Lang Grachtje.

Laatste Nieuws

Ons nieuws is en blijft altijd gratis als je je inschrijft voor de gratis nieuwsbrief

Er is iets misgegaan. Probeer het later opnieuw

Bedankt voor uw aanmelding. Controleer uw e-mail om de inschrijving af te ronden