Inhoudsopgave
Alle aandacht die in Maastricht uitgaat naar zwakke wijken als Caberg, Malpertuis en anderen en naar 'veerkrachtwijken' als Nazareth en Pottenberg, leidt tot scheve gezichten in wijken en voormalige dorpen aan de randen van de stad als Wolder, Hazendans, Borgharen en Itteren. Dat heeft de Rekenkamer opgehaald in een onderzoek naar de voorzieningen en leefbaarheid in wijken en kernen van de stad. Die buurten hebben het gevoel "dat ze er een beetje bijhangen."
Opmerkelijk is dat inwoners het voorzieningenniveau in hun buurt gemiddeld een 6.8 geven en twee op de drie inwoners geeft aan in zijn of haar buurt te kunnen vinden wat nodig is. Dat blijkt uit de online vragenlijst die de rekenkamer voor dit onderzoek onder inwoners van Maastricht uitzette en waar 1.631 inwoners aan deelnamen.
Die 6.8 van het onafhankelijke bureau Necker is fors minder dan de 7.9 die als cijfer uit de eigen Stadspeiling van de gemeente komt. Het college: "We herkennen ons grotendeels in de conclusie dat inwoners over het algemeen genomen tevreden zijn over het voorzieningenniveau en de leefbaarheid van Maastricht. We zien dit ook terug in de jaarlijkse Stadspeiling, waarin de waardering voor de woonomgeving stijgt: onze inwoners scoorden hun woonomgeving in 2025 gemiddeld genomen met een 7,9."
De gemeenteraad buigt zich in mei over het rapport van de Rekenkamer.
Het rapport van Necker is zo uitgebreid opgezet, dat het college daar kritiek op heeft. "Hoewel wij niet willen treden in de onafhankelijkheid van u als Rekenkamer, hopen we toch dat ook naar de toekomst toe kritisch gekeken zal blijven worden naar de effectiviteit en efficiency van dergelijke DoeMee-onderzoeken."
Het stadsbestuur voegt daaraan toe: "Waarbij ook de vraag kan worden gesteld of de overheid op alles waar dit onderzoek over gaat ook daadwerkelijk invloed kan uitoefenen en derhalve de vragen over doelmatigheid, doeltreffendheid en rechtmatigheid van beleid beantwoord kunnen worden."
Wie naar de cijfers kijkt ziet juist overigens dat als het om commerciële voorzieningen zoals winkels gaat, de markt juist veel beter scoort dan als het gaat om publieke voorzieningen waarvoor de gemeente aan de lat staat, zoals sportvoorzieningen, parkeerplekken en speelplekken.
Waar de onderzoekers erop wijzen dat alle aandacht die naar de zwakke wijken gaat als "als mogelijke keerzijde heeft dat wijken en buurten waar het goed gaat minder aandacht krijgen dan nodig is", wijst de gemeente juist erop dat ongelijk investeren een bewuste keuze is en kiest daarvoor zelfs vetgedrukte letters. "We vinden het als stadsbestuur daarnaast vooral belangrijk om steeds meer ongelijk te gaan investeren omdat iedere wijk een andere behoefte heeft. Ongelijk investeren betekent dat we in verschillende wijken andere dingen doen, omdat er andere dingen nodig zijn. Het doel van ongelijk investeren is juist om deze verschillen te overbruggen."
Het rapport laat de keerzijde van dat verhaal zien: "Een keerzijde daarvan kan zijn dat buurten en wijken waar het op dit moment goed gaat minder aandacht en middelen toebedeeld krijgen, terwijl hier mogelijk wel aanleiding toe is. Deze zorg leeft onder sommige maatschappelijke organisaties in de buurten. Het gevolg daarvan zou kunnen zijn dat het voorzieningenniveau in deze wijken in de toekomst achteruitgaat."
In het rapport is ook een andere rode draad te vinden. Er zijn tal van beleidsvisies (horeca, sport, detailhandel, cultuur, onderwijs, economie, buurthuizen, de overkoepelende Omgevingsvisie et cetera), vele tientallen subsidieregelingen en andere programma's zoals bijvoorbeeld Gala (Gezond leven akkoord), maar een integrale aanpak ontbreekt.
Met stadsdeelregisseurs, stadsdeelwethouders en stadsdeelprogramma's probeert de gemeente daar wat aan te doen. Het college erkent dat er nog veel moet gebeuren om die aanpak effectiever te maken. "Onze stadsdeelregisseurs hebben op dit moment inderdaad geen formele doorzettingsmacht, maar zijn voldoende in positie om onderwerpen intern te agenderen en in beweging te brengen. Als college streven we ernaar om de doorzettingsmacht van de stadsdeelregisseurs te formaliseren." En: "De stadsdeelregisseurs spelen een belangrijke rol, maar hun slagkracht is nog beperkt, omdat er slechts één stadsdeelregisseur per stadsdeel actief is, die niet verder wordt ondersteund."
De onderzoekers zien dat de stadsdeelregisseurs ook tegen de ambtelijke cultuur oplopen: "Hoewel het gebiedsgericht werken steeds breder in de organisatie omarmd wordt, komen er situaties voor waarbij de organisatie te veel vanuit deelbelangen redeneert."
Verkokering
In het rapport valt ook het woord 'verkokering' als verklaring: "Dit hangt samen met de bredere ervaring van gesprekspartners dat de gemeentelijke organisatie nog verkokerd werkt. De ambtelijke organisatie is ingedeeld in de drie domeinen ‘bedrijfsvoering en dienstverlening’, ‘sociaal’ en ‘fysiek’. Het team coördinatie gebiedsgericht werken valt, zoals aangegeven, buiten deze domeinstructuur. Gesprekspartners ervaren dat het in de organisatie lastig is om onderwerpen te adresseren die raken aan meerdere domeinen."
Voor elke voorziening waar inwoners naar bevraagd zijn, geven invullers aan dat zij hier meer tevreden mee zijn dan ontevreden. Vooral supermarkten (70% positief), gezondheidscentra (69% positief) en openbaar vervoer (69% positief) worden positief gewaardeerd. De waardering ligt het laagst voor speeltuinen (38% tevreden, 34% ontevreden), sportplekken (37% tevreden, 33% ontevreden) en parkeerplekken (35% tevreden, 31% ontevreden).


