Inhoudsopgave
Het Historisch Centrum Limburg (HCL) ligt opnieuw onder een vergrootglas. Volt Maastricht heeft het college van burgemeester en wethouders dertien kritische schriftelijke vragen gesteld over de manier waarop het regionale archief zijn wettelijke taken uitvoert. Daarbij richt de partij zich niet alleen op de omgang met privacygevoelige archieven, maar ook op de beperkte publieksfunctie, de openingstijden en de maatschappelijke rol van het archief. HCL heeft vestigingen in Maastricht en in Heerlen.
Aanleiding is onder meer berichtgeving in vakblad Archievenblad en landelijke media over de openbaarmaking van de zogenoemde CABR-dossiers, de archieven over Nederlanders die na de Tweede Wereldoorlog werden verdacht van collaboratie. Volgens Archievenblad heeft de rijksarchivaris van het HCL erkend dat vooraf geen Data Protection Impact Assessment (DPIA) is uitgevoerd, terwijl zo'n privacytoets volgens Volt wettelijk verplicht is op grond van de AVG en de Archiefwet.
Volt en de SP willen daarom van het Maastrichtse college weten of er onderzoek is gedaan naar een mogelijke schending van wettelijke verplichtingen en welke maatregelen inmiddels zijn genomen om herhaling te voorkomen. Ook vraagt de partij waarom het Algemeen Bestuur van het HCL niet inhoudelijk heeft gereageerd op kritiek die hierover verscheen in onder meer NRC en De Limburger.
Daarnaast zet beide politieke partijen vraagtekens bij de manier waarop het HCL invulling geeft aan zijn maatschappelijke opdracht. Volgens de partij moet het archief niet alleen documenten bewaren, maar deze ook actief toegankelijk maken voor een breed publiek.
Volt en de SP verwijzen daarbij naar een profielschets van archivaris Régis de la Haye, waarin volgens de partij wordt gesteld dat het HCL geen duidelijk antwoord heeft gegeven op de vraag of het zich wil ontwikkelen tot een levendige ontmoetingsplaats voor regionale geschiedenis.
De partijen vergelijken het HCL met het Brabants Historisch Informatiecentrum (BHIC) en Collectie Overijssel. Volgens Volt beschikken deze organisaties over minder personeel en een kleiner budget, maar organiseren zij wel podcasts, lezingen, educatieve programma's, fellowships voor studenten en andere publieksactiviteiten.
Het HCL telt volgens Volt 67 medewerkers en beschikt over een budget van circa 8,8 miljoen euro. Het BHIC werkt volgens de partij met 53 medewerkers en een budget van 6,7 miljoen euro, terwijl Collectie Overijssel 50 medewerkers en een budget van 5,5 miljoen euro heeft.
Volt en SP willen weten waarom vergelijkbare initiatieven in Limburg uitblijven en waarom rondleidingen tegenwoordig door Maastricht Marketing tegen betaling worden verzorgd, terwijl HCL-medewerkers deze volgens de partij vroeger kosteloos zelf verzorgden.
Ook de dienstverlening komt aan bod. Het HCL is zowel in Maastricht als Heerlen slechts drie dagen per week geopend, van woensdag tot en met vrijdag. Volgens de twee partijen is dat minder dan vergelijkbare archiefinstellingen elders in Nederland.
Daarnaast vragen Volt en de SP opheldering over de in de Visie op Dienstverlening 2030 genoemde "zichzelf sluitende studiezaal". De partij wil weten wat dit concept precies inhoudt en hoe dit zich verhoudt tot de wettelijke taak om archieven voor een breed publiek toegankelijk te houden.
Tot slot wordt erop gewezen dat de studiezalen van het HCL in 2025 door 3.820 mensen werden bezocht. Volgens de partijen is sprake van een dalende trend. Zij willen van het college weten waardoor die terugloop wordt veroorzaakt en welke plannen er zijn om het aantal bezoekers weer te laten groeien.
Het Historisch Centrum Limburg is om een reactie gevraagd, maar daar was nog niemand voor bereikbaar.


