Inhoudsopgave
Een Algerijn die al 24 jaar in Nederland en nu in Maastricht woont, heeft tot aan de Raad van State geprobeerd zijn officiële geregistreerde identiteit te laten wijzigen. De man gaf in de jaren negentig tijdens zijn asielprocedure onder ede een valse naam op, kreeg later op basis daarvan de Nederlandse nationaliteit en wil die registratie nu alsnog laten aanpassen naar zijn werkelijke identiteit. De hoogste bestuursrechter geeft hem echter geen gelijk.
De inwoner van Maastricht stelde dat hij niet langer wilde leven met de leugen die hij destijds tijdens zijn asielaanvraag vertelde. Hij verzocht de gemeente Maastricht daarom zijn voor- en achternaam in de Basisregistratie Personen (BRP) te wijzigen naar zijn vermeende echte identiteit. Het college van burgemeester en wethouders wees dat verzoek in 2020 af. Het college verweet de Algerijn misbruik van recht te maken. De Algerijn accepteerde dat niet en de zaak kwam via de rechtbank - die hem ook in het ongelijk stelde - uiteindelijk bij de Raad van State belandde.
Om zijn identiteit te bewijzen legde de man een omvangrijk dossier over. Daarbij zaten meerdere Algerijnse geboorteaktes, een paspoort, verschillende identiteitskaarten en een huwelijksakte. Eén identiteitskaart bleek slechts een kopie te zijn. De overige documenten werden door Bureau Documenten van de IND wel als echt aangemerkt, maar de dienst kon niet vaststellen of ze daadwerkelijk volgens de officiële procedures waren afgegeven.
Daarnaast liet de man een particulier bureau gezichtsvergelijkend onderzoek uitvoeren. Dat bureau concludeerde dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dezelfde persoon op de Algerijnse documenten en zijn Nederlandse identiteitsbewijs stond afgebeeld. Bureau Documenten van de IND kwam echter tot een veel voorzichtiger conclusie: er was slechts "redelijke steun" voor die stelling. Volgens de gemeente bleef daardoor te veel twijfel bestaan.
Een complicerende factor was bovendien dat de Algerijn vier broers heeft. Daardoor kan volgens de gemeente en de rechters niet worden uitgesloten dat de overgelegde documenten betrekking hebben op één van zijn broers in plaats van op hemzelf. Juist daarom is aanvullend bewijs nodig dat de documenten daadwerkelijk op hem betrekking hebben.
De rechtbank stelde eerder al vast dat de man inmiddels al 24 jaar onder zijn huidige identiteit in Nederland staat geregistreerd. Hij heeft die identiteit niet alleen tijdens zijn asielprocedure onder ede opgegeven, maar later ook gebruikt bij zijn naturalisatie tot Nederlander. Dat maakt een wijziging van de officiële registratie extra ingrijpend en vraagt om overtuigend bewijs.
Bij de Raad van State voerde de man opnieuw aan dat zijn paspoort en de overige documenten samen voldoende bewijs vormden. De hoogste bestuursrechter ging daar niet in mee. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak laten zowel de documenten als de twee gezichtsvergelijkende rapporten nog ruimte voor twijfel. Omdat de bewijslast bij de aanvrager ligt, had hij meer overtuigend bewijs moeten overleggen, bijvoorbeeld recent afgegeven identiteitsdocumenten of vergelijkend onderzoek waarbij ook zijn broers werden betrokken.
Wel merkt de Raad van State op dat de man inmiddels nog nieuwe documenten heeft verkregen. Die zijn in deze procedure niet beoordeeld. Als hij wil, kan hij daarmee opnieuw een verzoek tot wijziging van zijn persoonsgegevens indienen bij de gemeente Maastricht.
