Inhoudsopgave
Het Maastricht UMC+ heeft over het jaar 2025 financieel een licht positief resultaat geboekt van € 6,5 miljoen. In 2024 was dat nog € 22 mln. De belangrijkste oorzaken zijn forse investeringen in personeel en ICT.
Het ruimere resultaat over 2024 was bovendien vooral te danken aan incidentele opbrengsten, zoals de definitieve afrekeningen met zorgverzekeraars over voorgaande jaren. “Dat het resultaat over 2025 veel bescheidener zou uitpakken, hadden we al voorzien”, zegt bestuursvoorzitter Helen Mertens. “We wisten dat de relatief hoge resultaten van de jaren ervoor niet structureel waren. Daar hebben we ons niet rijk mee gerekend.”
Ook voor de komende jaren staan de financiële resultaten onder druk, waarschuwt Mertens. “In het regeerakkoord zijn bezuinigingen opgenomen op de beschikbaarheidsbijdrage academische zorg (BBAZ) en de subsidies voor medische vervolgopleidingen. Ook de grote investeringen in nieuw- en verbouw gaan de financiële resultaten drukken. Maar die zijn noodzakelijk, ruim 35 jaar na de oplevering.” De bouwwerkzaamheden beginnen nog dit jaar en duren tot 2040. In totaal investeert het MUMC+ daarin € 600 mln. Er komt onder meer een nieuw entreegebouw en het beddenhuis wordt ingrijpend verbouwd, evenals de poliklinieken.
In het vandaag bekendgemaakte jaarverslag blikt het MUMC+ ook uitgebreid terug op de verbetering van de organisatiecultuur en het integratieproces met de Universiteit Maastricht. Over het eerste constateert Mertens tevreden dat na het vorig jaar uitgevoerde externe onderzoek naar het leer- en werkklimaat in het ziekenhuis, er sinds begin dit jaar een samen met medewerkers uit de gehele organisatie opgesteld plan van aanpak met verbeteringen wordt uitgevoerd.
Het aantrekken van nieuwe medewerkers lukt het MUMC+ steeds beter. Daar put Mertens hoop uit. “Ondanks de huidige nog steeds krappe arbeidsmarkt slagen we er momenteel sneller in onze openstaande vacatures in te vullen.”
Het is een tegenvaller, aldus Mertens, dat er geen steun is van de meeste medezeggenschapsorganen van het academisch ziekenhuis en de universiteit voor de bestuurlijke integratie en het voorgestelde besturingsmodel. “Tegelijk erkent iedereende noodzaak van verregaande samenwerking, om groeikansen te kunnen grijpen en opgewassen te zijn tegen bedreigingen. Samen kunnen we onze maatschappelijke bijdrage vergroten, afzonderlijk zijn we kwetsbaarder.”
“De vraag is hoe we die samenwerking organiseren en besturen. Daarom blijven we zoeken naar een model dat onze steeds intensievere samenwerking organisatorisch borgt, zonder afhankelijk te zijn van de persoonlijk goede verstandhoudingen tussen ziekenhuis en universiteit – ofschoon ik daaraan ook grote waarde hecht.”

