Inhoudsopgave
Vragen staat vrij, maar in Maastricht hangt daar inmiddels een stevig ambtelijk prijskaartje aan. Het aantal schriftelijke vragen vanuit de gemeenteraad is in twaalf jaar tijd ruimschoots verdubbeld. Maastrichtse raadsleden stellen gemiddeld ongeveer drie keer zoveel vragen als hun collega’s in vergelijkbare gemeenten. Volgens onderzoeksbureau Berenschot gaat dat ten koste van de uitvoeringskracht van de ambtelijke organisatie.
In de raadsperiode 2014-2018 werden in Maastricht 509 schriftelijke vragen gesteld. Vier jaar later waren dat er al 1.135. In de huidige, bijna afgelopen raadsperiode staat de teller op 1.335 vragen. Vergeleken met twaalf jaar geleden gaat het om een stijging van ruim 162 procent.
De cijfers komen uit het rapport Dynamieken doorbreken van onderzoeksbureau Berenschot. De griffie legt de bevindingen op 10 september voor aan het presidium van de gemeenteraad. Dat presidium is als het ware de regiekamer van de raad. Het houdt zich niet bezig met politieke standpunten over bijvoorbeeld woningbouw, cultuur of veiligheid, maar met de organisatie, procedures en werkwijze van de gemeenteraad.
Schriftelijke vragen zijn het meest gebruikte formele instrument waarmee raadsleden het college van burgemeester en wethouders om uitleg kunnen vragen. Het recht van individuele raadsleden om dat te doen, staat volgens Berenschot niet ter discussie. Het bureau plaatst wel kanttekeningen bij de grote hoeveelheid vragen en de manier waarop het instrument wordt gebruikt.
De meeste schriftelijke vragen worden door afzonderlijke partijen ingediend. Oppositiepartijen nemen 53 procent voor hun rekening, coalitiepartijen 38 procent. Slechts 9 procent van de vragen wordt gezamenlijk door meerdere partijen gesteld.
Volgens Berenschot wijst dat erop dat schriftelijke vragen niet alleen worden gebruikt om informatie te verzamelen of het college te controleren. Ze dienen soms ook om het standpunt van een individuele partij voor het voetlicht te brengen. Daarnaast kunnen raadsleden naar het middel grijpen uit frustratie over de informatievoorziening door het college.
Het beantwoorden van de vragen legt een groot beslag op de ambtelijke organisatie. Ambtenaren moeten informatie verzamelen, antwoorden formuleren en deze bestuurlijk laten controleren. Berenschot constateert dat daarbij soms onduidelijk blijft waaraan de antwoorden uiteindelijk bijdragen.
De vragenlawine beperkt volgens het bureau de uitvoeringskracht van de gemeente. Tijd die wordt besteed aan beantwoording kan immers niet worden ingezet voor de uitvoering van beleid of andere werkzaamheden. De hoeveelheid vragen draagt bovendien op onderdelen bij aan een negatief sentiment onder ambtenaren richting de gemeenteraad.
Berenschot waarschuwt dat een overmatig gebruik van schriftelijke vragen de verhoudingen tussen gemeenteraad, college en ambtelijke organisatie verder onder druk kan zetten. Vooral wanneer vragen worden gesteld uit frustratie of hoofdzakelijk voor politieke profilering, verslechtert volgens het bureau de onderlinge dynamiek.
Het presidium moet zich nu uitspreken over de conclusies. Ook ligt de vraag op tafel hoe de raad een eerste stap kan zetten naar een bewuster gebruik van schriftelijke vragen. Berenschot benadrukt daarbij dat niet alleen de gemeenteraad aan zet is. Raad, college en ambtelijke organisatie zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het functioneren van de gemeente. Zonder zelfreflectie van alle betrokkenen is volgens het onderzoeksbureau geen duurzame verbetering mogelijk.


Al ons nieuws is en blijft gratis, maar waardeert u ons werk, steun dan De Nieuwe Ster.

