Inhoudsopgave
Het Maastrichtse college van burgemeester en wethouders heeft een kritische zienswijze ingediend op de nieuwe Omgevingsverordening van de Provincie Limburg. Wethouder Frans Bastiaens (Stedelijke Ontwikkeling) vraagt de provincie meer daadkracht te tonen bij moeilijke keuzes over woningbouw, natuur en de toekomst van de regio.
Drie thema's springen er daarbij bovenuit: stikstof rond natuurgebieden, wildgroei van kleine woonuitbreidingen op het platteland, en eerlijker verdeling van sociale woningbouw.
De brief is opvallend direct van toon. 'Wij vragen de Provincie lef te tonen', schrijft Bastiaens letterlijk aan de provinciale ambtenaren. Dat is geen gebruikelijke bestuurstaal. De wethouder maakt zich zorgen dat de nieuwe provinciale spelregels voor de ruimtelijke ordening — vastgelegd in de zogeheten Omgevingsverordening — op cruciale punten te vaag of te vrijblijvend zijn.
Een van de voornaamste zorgen betreft de stikstofproblematiek rond Natura 2000-gebieden vlak bij Maastricht, zoals het Savelsbos. De provincie richt haar herstelbeleid via het programma 'Limburgs Offensief Stikstof' op een selectie van focusgebieden, maar de kwetsbare natuur rondom steden en economische centra zoals de Brightlands Maastricht Health Campus valt daar buiten. Maastricht vreest dat dit het zogenoemde 'stikstofslot' op deze gebieden in stand houdt, met directe gevolgen voor bedrijven en bouwprojecten in de stad. Zonder herstel van die natuur blijven vergunningen voor uitbreidingen bij Brightlands, mkb en de maakindustrie lastig te verkrijgen.
Een tweede punt raakt alle Limburgers die wonen of willen wonen: de zogenoemde 'straatjes erbij'. Daarmee bedoelt Maastricht de neiging van kleinere gemeenten om aan de rand van dorpen nieuwe woonbuurtjes te ontwikkelen. Hoewel de provincie in haar beleidsstukken hamert op compacte stadsontwikkeling en woningbouw rond treinstations, ontbreken in de nieuwe verordening concrete regels die dit ook afdwingen. Maastricht waarschuwt dat een wildgroei aan dit soort uitbreidingen leidt tot meer autoverkeer, minder leefbaarheid in bestaande wijken — met name de kwetsbare naoorlogse buurten — en een verdere tweedeling tussen stad en platteland. Bovendien ondermijnt het de financiële haalbaarheid van grote herstructureringsprojecten in de stad.
Het derde struikelblok is de verdeling van sociale huurwoningen over de regio, in bestuurlijk jargon 'fair share' genoemd. Met de komst van nieuwe nationale wetgeving krijgt de provincie officieel de taak om hierop toe te zien. Maar Maastricht vindt dat de huidige verordening dit te vrijblijvend regelt. De stad vraagt om een duidelijk escalatiemodel: als gemeenten er onderling niet uitkomen, moet de provincie ingrijpen en concrete taakstellingen opleggen. Anders blijven steden als Maastricht onevenredig veel sociale huur dragen, terwijl omliggende gemeenten kunnen achterblijven.
Naast deze drie hoofdpunten bevat de zienswijze nog een reeks technische bezwaren, van onduidelijke definities in de regeltekst tot zorgen over de monitoring van woningbouwplannen en de regels voor hergebruik van bouwgrond. Ook vraagt Maastricht de provincie te overwegen een norm op te nemen voor zogenoemde 'netbewuste nieuwbouw' — gebouwen die zo zijn ontworpen dat ze het overbelaste elektriciteitsnet minder belasten. Andere provincies als Gelderland en Utrecht gingen daarin al voor.