Inhoudsopgave
Op 14 februari wordt Valentijnsdag gevierd. Het is een dag waarop geliefden elkaar extra aandacht geven met cadeautjes, bloemen en kaarten. Omdat Valentijnsdag door velen wordt gezien als de ultieme dag om de liefde te vieren, worden op die dag ook veel huwelijksaanzoeken gedaan. In de achttiende eeuw woog een trouwbelofte (verloving) veel zwaarder dan tegenwoordig. Als je eenmaal had beloofd om te trouwen, dan kon je er niet zomaar onderuit komen. Het verbreken van een trouwbelofte kon grote maatschappelijke en juridische gevolgen hebben, zeker als de bruid in spe al in blijde verwachting was. Na het uitwisselen van trouwbeloften was het namelijk geoorloofd om ‘vleeschelijcke conversatie’ met elkaar te hebben, zoals geslachtsgemeenschap toen werd genoemd. Regelmatig kwam het voor dat een trouwbelofte met geld werd afgekocht. In veel gevallen was het de man in kwestie die zijn belofte niet meer wilde nakomen. Maar af en toe kwam het ook voor dat de vrouw het voorgenomen huwelijk wilde annuleren. We gaan vandaag terug naar de jaren dertig van de achttiende eeuw.
Een verliefdheid in Herkenrade
Cornelia Duijsens en Arnold Dresens waren twee inwoners van het gehucht Herkenrade bij Sint Geertruid. Zij waren verliefd op elkaar geworden. Op enig moment in het jaar 1732 was het verliefde stel op bezoek gegaan bij de in Maastricht woonachtige Margaretha Lambrichts, de echtgenote van Willem Hes. Op diezelfde dag had Cornelia aan Margaretha verteld dat zij verloofd was met Arnold. Trouwbeloften werden over het algemeen mondeling uitgewisseld. Twee geliefden spraken dan hun wederzijdse liefde en toewijding aan elkaar uit. Het was gebruikelijk om die trouwbeloften te bevestigen met een symbolisch gebaar. Enkele dagen nadat Cornelia en Arnold op bezoek waren geweest bij Margaretha, had Cornelia aan Margaretha het bewijs van de verloving laten zien. Dat was de helft van een in twee stukken gebroken blamuiser, een muntstukje. Arnold bezat de andere helft van het muntstukje. Deze methode, een in twee helften gebroken blamuiser, was iets gebruikelijks. Cornelia had haar verloving ook kenbaar gemaakt aan de eveneens in Maastricht woonachtige Margaretha Douven, de echtgenote van Hendrick van Soelen. Aan deze Margaretha was eveneens de halve blamuiser getoond, als bewijs voor het bestaan van de verloving. Beide Margaretha’s waren nadien meerdere keren in het ouderlijk huis van Cornelia in Herkenrade aanwezig geweest om te werken. Telkens had Cornelia tegen de dames gezegd verloofd te zijn met Arnold.

Een kousenbreister
Over die gebeurtenissen in het jaar 1732 hadden de beide Margaretha’s een verklaring afgelegd bij de Maastrichtse notaris Reinier Veugen. Op 24 juni 1735, drie jaar na dato, hadden zij op verzoek van Arnold Dresens bij notaris Veugen aan tafel gezeten om te vertellen wat zij wisten over de verloving tussen Arnold en Cornelia. Het feit dat Arnold de dames dit had gevraagd, duidt er op dat Arnold wilde bewijzen dat tussen hem en zijn Cornelia wel degelijk een verloving bestond. Het kan dus bijna niet anders zijn geweest dan dat Cornelia genoeg had van Arnold en niet meer met hem wilde trouwen.
Margaretha Lambrichts wist overigens nog meer te vertellen over de vrijage en verloving. Om die reden ging zij een tweede keer naar een notaris toe om haar verhaal te doen, eveneens op verzoek van Arnold Dresens. Deze keer werd een andere notaris bezocht, namelijk de eveneens in Maastricht gevestigde notaris Guillaume Caris. Op 8 juli 1735 schoof zij aan tafel bij die notaris. Notaris Caris vermeldde over Margaretha Lambrichts een extra detail in zijn akte, namelijk dat zij in Wyck woonachtig was. Ook blijkt uit die akte dat Margaretha kousenbreister van beroep was. Gedurende acht jaar had zij regelmatig in die hoedanigheid gewerkt bij de moeder van Cornelia Duijsens, de weduwe van Lambricht Duijsens in Herkenrade. Zij bleef daar ook regelmatig meerdere nachten slapen. Die werkzaamheden in Herkenrade hadden geduurd tot het jaar 1733. In die tijd dat ze regelmatig in Herkenrade aanwezig was, had Margaretha sinds het jaar 1729 geconstateerd dat Arnold en Cornelia erg ongedwongen en intiem met elkaar omgingen. Cornelia liet zich ook dikwijls kussen door Arnold. Het was zelfs zo dat Cornelia op een gegeven moment haar haren bijna elke zaterdag liet kammen door Arnold. Margaretha had ook diverse andere “kenteekenen van liefde en vrijagie” tussen Arnold en Cornelia bespeurd.

Cornelia voelt zich verwaarloosd
In 1731 was Cornelia Duijsens naar Wyck verhuisd, zo verklaarde Margaretha Lambrichts tijdens haar bezoek aan notaris Caris. Cornelia was als dienstmeid gaan werken in het huis dat de naam “den Aker Waegen” droeg. Na de eerste week van haar dienstverband in Wyck had Cornelia met een “droef gelaet” geklaagd bij Margaretha dat Arnold haar niet eens was komen opzoeken in Wyck. Zij mistte de omgang met Arnold, zo had ze opgebiecht aan Margaretha. Cornelia had Margaretha op het hart gedrukt dat zij haar moest informeren als Arnold in Maastricht zou zijn. En zo geschiedde. Een week later bevond Arnold zich in Maastricht en had hij afgesproken in de woning van Margaretha. Margaretha hield zich aan haar woord en had Cornelia geïnformeerd, die zich haastte om naar de woning van Margaretha te gaan. Toen Arnold en Cornelia elkaar weer zagen, had Margaretha gemerkt dat de “jonge liedens op nieuws alle teeckenen van liefde en affectie aen malcanderen betoonden”.
Margaretha was er ook een keer getuige van geweest dat er na de verloving enige onmin tussen de geliefden ontstond. Hierop had Cornelia haar halve blamuiser op de vloer gegooid en tegen Arnold gezegd: “daer leijt den gebroocke blamuser”. De reactie van Arnold was geweest: “ick blijve bij mijne woorden en trouwbeloften die ick u gedaan hebbe”. Vervolgens had Cornelia de halve blamuiser weer opgeraapt van de vloer. Margaretha verklaarde aan notaris Caris dat zij gezien had dat “zedert dien tijdt de vrijagie tusschen de meergenoemde jonge liedens heeft blijven continueren”.

Arnold durft Cornelia niet te kussen
Op 10 juli 1735, twee dagen nadat Margaretha Lambrichts op bezoek was geweest bij notaris Caris, hadden twee inwoners van Herkenrade zich ook gemeld bij diezelfde notaris. Het waren Jan Janssen en Leonard Vrancken. Zij legden op verzoek van Arnold Dresens een verklaring af. Zij vertelden de notaris dat zij drie à vier jaar daarvoor meerdere keren met eigen ogen hadden gezien dat Cornelia en Arnold erg vrij met elkaar omgingen, en dat Cornelia ook vaker op de schoot van Arnold was gaan zitten. Zij had dit gedaan zonder dat Arnold daarom verzocht had. Arnold had haar ook niet verleid om op zijn schoot te komen zitten. Cornelia was telkens degene geweest die het initiatief daartoe nam.
Leonard Vrancken had een situatie meegemaakt in het huis van de moeder van Cornelia, zo vertelde hij. Arnold was uitgelachen door de aanwezigen omdat hij “uijt vreese of schaemte” in de tegenwoordigheid van het gezelschap Cornelia niet wilde kussen. Cornelia ging vervolgens naast Arnold “zitten op eene kiste staende aldaer in de keucken”. Zij sprak hem toe op een manier waarop een “verliefde vrijster” dat gebruikelijk doet.
Hoe het verder afliep tussen Cornelia en Arnold heb ik niet onderzocht. Of het toch tot een huwelijk is gekomen, betwijfel ik. Nader onderzoek zal meer aan het licht kunnen brengen. Ik zeg: Vastelaovend same!