Inhoudsopgave
De gemeenteraad van Maastricht is niet misleid bij de besluitvorming over bouwplan Vroendaal. Het college blijft erbij dat er voldoende grond was om ervan uit te gaan dat de benodigde vergunning van de provincie Limburg verleend kan worden. Dat blijkt uit antwoorden op vragen van 50PLUS en SAB over de kwestie.
De discussie ontstond nadat Gedeputeerde Staten duidelijk maakten dat de provincie geen formele of informele toezegging had gedaan dat de vergunning daadwerkelijk zou worden verleend. Raadsleden wilden daarop weten hoe dat zich verhield tot de volgens hen tijdens een locatiebezoek gedane mededeling dat de provinciale vergunning „100 procent zeker” zou worden verleend.
Het college bestrijdt dat beeld. Maastricht kon en kan geen garantie geven, omdat uiteindelijk de provincie over de vergunning beslist. Wel moest het college voor het omgevingsplan beoordelen of het plan uitvoerbaar is. Volgens burgemeester en wethouders was er voldoende informatie om te concluderen dat dit het geval was.
Een belangrijk argument daarvoor is het vooroverleg met de provincie. Limburg reageerde al op 24 oktober 2025 op het plan en maakte opmerkingen over onder meer grondwaterbescherming. Daarbij liet de provincie weten dat er geen aanleiding zou zijn om een zienswijze in te dienen als die opmerkingen in het plan werden verwerkt. Dat gebeurde en de provincie diende vervolgens inderdaad geen zienswijze in.
Later bleek dat vanwege de ligging in het grondwaterbeschermingsgebied Heer-Vroendaal nog wel een afzonderlijke provinciale vergunning nodig was. Ook daarover vond overleg met de provincie plaats. De voorwaarden werden doorgegeven aan de initiatiefnemer, waarna de vergunning werd aangevraagd.
In de stukken die de gemeenteraad kreeg, stond bovendien expliciet dat de verwachting was dat Limburg de vergunning kon verstrekken, omdat de activiteiten niet zouden leiden tot een toename van de risico's voor de grondwaterkwaliteit. Het plan werd daarom als juridisch uitvoerbaar beschouwd.
Kritische raadsleden wezen daarnaast op ambtelijk overleg van 17 maart 2026, waarin Limburg de voorwaarden voor vergunningverlening uiteenzette. Zij spreken van een provinciale „waarschuwing” die nadrukkelijk met de gemeenteraad gedeeld had moeten worden.
Het college ziet dat anders. De provinciale ambtenaar zou alleen hebben aangegeven waaraan de aanvraag moest voldoen en onder welke voorwaarden vergunningverlening mogelijk was. Die informatie werd doorgegeven aan de initiatiefnemer en gebruikt bij de aanvraag. „De kwalificatie ‘waarschuwing’ delen wij niet”, aldus het college.
Dat de provinciale vergunning op 16 juni nog niet was verleend, stond besluitvorming door de gemeenteraad volgens het college niet in de weg. De aanvraag was ingediend en de noodzakelijke uitvoerbaarheidstoets was uitgevoerd. Daarmee kon de raad volgens burgemeester en wethouders „rechtmatig en zorgvuldig” een besluit nemen.
Het college verwerpt tot slot nadrukkelijk de suggestie dat de raad een te rooskleurig of onjuist beeld is voorgehouden. Burgemeester en wethouders zeggen in de latere antwoorden van de provincie juist een bevestiging te zien van hun eigen uitleg. Volgens het college waren op 16 juni alle stukken beschikbaar die nodig waren voor een zorgvuldige besluitvorming en kon de gemeenteraad op goede gronden instemmen met Vroendaal.









