Inhoudsopgave
De Universiteit Maastricht (UM) onderneemt geen verdere stappen tegen een voormalig promovendus wiens wetenschappelijke publicaties jarenlang onderwerp waren van een onderzoek naar mogelijke schendingen van de wetenschappelijke integriteit. Dat blijkt uit het jaarverslag 2025 van de Commissie Wetenschappelijke Integriteit (CWI).
De zaak begon in maart 2023, toen het College van Bestuur de CWI om advies vroeg naar aanleiding van bezwaren tegen onderzoek naar medicijnen van een wetenschapper die aan de UM promoveerde. Vanwege de complexiteit van de kwestie schakelde de commissie een onafhankelijke deskundige in.
Die deskundige constateerde ernstige fouten in twee wetenschappelijke artikelen die voortkwamen uit het promotieonderzoek. Volgens de expert waren bepaalde uitkomsten zelfs “mathematisch onmogelijk”. De CWI adviseerde daarom in oktober 2024 eerst aanvullend onderzoek te doen naar de oorspronkelijke onderzoeksgegevens voordat kon worden vastgesteld of sprake was van een schending van de wetenschappelijke integriteit.
De commissie vroeg de betrokken wetenschapper eind 2024 herhaaldelijk om de originele ruwe dataset aan te leveren. Ondanks meerdere verlengingen van de deadline liet de onderzoeker in februari 2025 weten dat de gegevens niet meer beschikbaar waren. De studie was op dat moment meer dan veertien jaar oud en ook andere onderliggende onderzoeksdocumenten bleken niet meer aanwezig.
Daardoor kon de CWI het gevraagde vervolgonderzoek niet uitvoeren. In april 2025 concludeerde de commissie dat de oorzaak van de geconstateerde fouten niet meer kon worden achterhaald. Omdat de originele data ontbraken, kon volgens de commissie ook niet worden uitgesloten dat de inhoud van de artikelen onbetrouwbaar was. De CWI adviseerde daarom aanvankelijk om beide artikelen te laten intrekken.
“Onbevredigend gevoel”
De zaak kreeg echter een nieuwe wending toen de betrokken wetenschapper meldde dat de Research Integrity Committee van de American Society for Reproductive Medicine had besloten geen nader onderzoek te starten naar de betreffende publicaties. Dat gold voor beide onderzochte artikelen.
Naar aanleiding daarvan vroeg het College van Bestuur de CWI het eerdere advies te heroverwegen. Op 19 mei 2025 kwam de commissie met een aangepast oordeel. Hoewel de commissie naar eigen zeggen met een “onbevredigend gevoel” achterbleef, adviseerde zij uiteindelijk om geen verdere actie te ondernemen.
Het College van Bestuur nam dat advies over. Op 26 augustus 2025 werd definitief besloten geen maatregelen te treffen tegen de voormalige promovendus. Wel heeft de universiteit de onderzoeker gevraagd een tabel in een hoofdstuk van het proefschrift te corrigeren.


