Inhoudsopgave
Na jarenlang aandringen, onder meer vanuit de gemeente Maastricht, ondertekende koning Willem III, de betovergrootvader van koning Willem-Alexander, op 29 mei 1867 het besluit tot opheffing van de vestingstatus van Maastricht. De opheffing betekende dat Maastricht niet langer als versterkt militair steunpunt werd gehandhaafd. De vestingwerken vormden een belemmering voor de groei van de stad.
Door Stefan Vrancken
De ontmanteling van de vesting maakte ruimte vrij voor woningbouw en industrie. In de daaropvolgende jaren werden de meeste buitenwerken van de vesting en een groot deel van de middeleeuwse stadsmuur ontmanteld in opdracht van het Ministerie van Oorlog. Omdat de stadspoorten onder de verantwoordelijkheid van de gemeente vielen, liet het gemeentebestuur de poorten in de periode 1867-1870 slopen. Alle poorten? Nee, de oudste poort bleef gespaard. Dat was de Helpoort in de eerste stadsmuur.

Een explosieve ontdekking
In februari 1882 werden restauratiewerkzaamheden uitgevoerd aan de Helpoort. Tijdens die werkzaamheden werden twee verborgen mijnen ontdekt. Die mijnen waren gevuld met kruit. De paniek sloeg onmiddellijk toe. Het gebied rondom de Helpoort werd afgezet en dag en nacht bewaakt door politieagenten. Het kruit werd afgevoerd en in de Jeker geworpen. De oorsprong van de mijnen was onbekend, zo blijkt uit de krantenberichten uit die tijd. Omdat het gevonden kruit grover was dan het kruit dat in 1882 werd gebruikt, ging men ervan uit dat het afkomstig was uit een van de laatste belegeringen van de stad: die van 1748, 1793 of 1794.
De restauratie van de Helpoort kon overigens niet op ieders instemming rekenen. In de “Oprechte Zaturdagsche Haarlemsche Courant” van 29 april 1882 is te lezen: “Op kosten van het Rijk werd dit monument hersteld. Van binnen bevindt zich eene kamer en aan beide zijden is zij geflankeerd door een halfronden toren. Zoowel het gebouw zelf als de toren zijn erg onregelmatig en van ruwe steen gebouwd. Menigeen vraagt zich af, waartoe die restauratie eigenlijk dient en of het geld daaraan ten koste gelegd niet beter besteed had kunnen worden.”

Levensgevaarlijke werkzaamheden
De afbraak van de Maastrichtse stadspoorten was niet zonder gevaar. Verschillende werklieden moesten hun werkzaamheden met de dood bekopen. Het “Venloosch Weekblad” berichtte op 4 januari 1868 dat tijdens de afbraak van de Tongersepoort een “treurig ongeval” plaatsvond. “Een arbeider, bezig zijnde met het afbreken van een muur, werd onder een blok steen bedolven. Toen men hem nog dacht te kunnen redden, was hij reeds een lijk.” Het bleek te gaan om de 21-jarige metselaar Mathias Jerome, afkomstig uit Veldwezelt. Volgens zijn overlijdensakte had het ongeval plaatsgevonden op 30 december 1867. Aannemer Jan Weusten en opzichter Bernardus van Rooij, beiden woonachtig in Maastricht, deden een dag na het ongeval aangifte van het overlijden bij de ambtenaar van de burgerlijke stand.
In dezelfde editie van het “Venloosch Weekblad” werd melding gemaakt van een dodelijk ongeval tijdens de afbraak van vestingwerken buiten de Boschpoort. “Een soldaat die mede aan het werk was, werd door het instorten van eene massa aarde daaronder bedolven. Ofschoon dadelijk alle hulp werd aangewend is hij nogthans eenige oogenblikken later overleden.”

Verrassende ontdekkingen
Tijdens de afbraak van de vestingwerken en de stadspoorten werden vaak opmerkelijke voorwerpen uit de grond gehaald. Zo werden in februari en juni 1872 buiten de Boschpoort doodskistjes gevonden met daarin de geraamten van kinderen. In juli 1868 kwam bij de afbraak van de Brusselsepoort het skelet van een Spaanse soldaat aan het licht, zo schreef de “Oprechte Woensdagsche Haarlemsche Courant” op 8 juli 1868. Op de schedel bevond zich nog een metalen stormhelm. Naast het geraamte lag een gebroken zwaard. Bij de Brusselsepoort werden ook munten uit de twaalfde, vijftiende en zestiende eeuw gevonden, evenals vele kogels en bommen.
De stadsportier van de Brusselsepoort
Op 14 juni 1862, bijna vijf jaar voordat de vestingstatus van Maastricht werd opgeheven, overleed de 68-jarige stadsportier Gerardus Ante. Als portier van de Brusselsepoort woonde hij in het wachthuis, gelegen naast de binnenpoort van de Brusselsepoort. Ruim drie weken eerder was Gerardus weduwnaar geworden. Zijn echtgenote Maria Vreven was negen jaar ouder dan hij. Toen Gerardus en Maria op 7 januari 1850 in Heer trouwden, was Gerardus al twee keer weduwnaar geworden. Hij was toen gepensioneerd tamboer-majoor. Na zijn huwelijk werd hij eerst portier van de Boschpoort. Het echtpaar ging daarom wonen in de portierswoning op de Boschstraat. Later volgde de verhuizing naar het wachthuis bij de Brusselsepoort.

Het wachthuis bij de Brusselsepoort. Hier woonde stadsportier Gerardus Ante toen hij in 1862 overleed. Beeld: Public Domain, Wikimedia Commons

De poortschrijver van de Brusselsepoort
We maken nu een tijdreis naar de zeventiende eeuw. Op 20 april 1656 verscheen Jan Brinckmans, gehuwd met Agnes van den Bosch, voor de Maastrichtse notaris Arnoldus Vrancken. Jan was poortschrijver. Een poortschrijver in het zeventiende-eeuwse Maastricht hield zich bezig met de administratieve werkzaamheden rond het verkeer door de stadspoort. Vermoedelijk registreerde Jan personen en goederen die de stad binnenkwamen of verlieten en was hij betrokken bij de controle op goederen en het innen van bepaalde heffingen. Jan verklaarde aan notaris Vrancken dat hij 800 gulden had geleend van Daniel le Gaije, diaken van de Nederduits Gereformeerde Gemeente in Maastricht. Als zekerheid voor de lening vestigde Jan een hypotheek op een perceel grond bij de Brusselsepoort, waarop hij een huis aan het bouwen was. Jan ging met zijn echtgenote en kinderen in dit huis wonen. Een van die kinderen was Maria, die op 5 mei 1647 werd gedoopt in de verdwenen Sint Jacobskerk op de hoek van de Bredestraat en de Sint Jacobstraat. Maria trouwde op 3 maart 1669 in de Sint Jacobskerk met Peter Hermans. Via hun dochter Maria Hermans, gedoopt in de Sint Jacobskerk op 15 oktober 1679, werden Peter en Maria de betovergrootouders van Elisabeth Tans, die op 15 september 1794 werd gedoopt in de Sint Jacobskerk. Elisabeth Tans en haar echtgenoot Hilbert de Wit, een pontonnier die in 1812 deelnam aan de beruchte Russische veldtocht van keizer Napoleon I, werden de betovergrootouders van mijn oma Gertrudis Caenen-Menten (1921-1991).


Al ons nieuws is en blijft gratis, maar waardeert u ons werk, steun dan De Nieuwe Ster.