Doorgaan naar artikel

De UM omarmt Gazaanse student. Wie omarmt de Joodse studenten?

Gemaskerde actievoerders krijgen spreektijd tijdens een college dat ze verstoren. Ze eisten een einde aan de Joodse staat.

Inhoudsopgave

Commentaar

De Universiteit Maastricht heeft haar richting alweer bepaald: de student uit Gaza moet op korte termijn verder kunnen studeren. Het Openbaar Ministerie constateert geen strafbare feiten in zijn videopost. Maar de verklaring van het universiteitsbestuur doet meer dan die uitkomst melden. Ze toont uitvoerig begrip voor de aangeslagen student. De angst van Joodse studenten krijgt aanzienlijk minder aandacht.

Over de strafrechtelijke uitkomst moet geen misverstand bestaan. Volgens het OM blijkt uit het politieonderzoek geen betrokkenheid bij de Hamas-aanslagen van 7 oktober 2023. Evenmin constateert het OM strafbare feiten zoals opruiing of het verheerlijken van terrorisme. De student mag dus niet als bewezen terrorist worden weggezet. Eerdere beschuldigingen moeten in het licht van die uitkomst worden beoordeeld.

Daarmee zijn de bestuurlijke vragen echter niet verdwenen. Wat bedoelde de student met zijn post? Waaruit bestond het misverstand waarop hij zich beroept? Hoe beoordeelt de universiteit zelf de beelden en hun uitwerking op andere studenten?

De verklaring geeft daarin weinig inzicht. We lezen dat de student "zeer ontdaan was, dat de commotie hem heeft geraakt en dat dit goed voorstelbaar is". De anderen verschijnen als een anoniem deel van de universiteitsgemeenschap waar onrust is ontstaan. Vervolgens keert de verklaring terug naar zijn toekomst: "hij moet in een veilige omgeving kunnen studeren". De boodschap die blijft hangen is een warme omarming van de student uit Gaza.

Waar blijft de even nadrukkelijke betrokkenheid bij de Joodse en Israëlische studenten? IJAR meldde dat studenten die huisvesting of onderwijsvoorzieningen met hem delen, vrezen voor hun veiligheid. Volgens de vereniging was de universiteit ten minste sinds 26 september op de hoogte, maar werd IJAR pas op 28 september benaderd. De vereniging vroeg bovendien opnieuw om antwoorden op zorgen die zij naar eigen zeggen al zes maanden onder de aandacht brengt. Daaronder de vraag of steun aan terroristische organisaties en hun acties volgens de universiteitsregels is toegestaan. Dat zijn verklaringen van IJAR, maar ze vragen om een concreet, openbaar antwoord.

Wie het archief van De Nieuwe Ster doorloopt, ziet dat deze kritiek een lange voorgeschiedenis heeft.

In april 2024 ontstond ophef over een vacature voor een promovendus bij FASoS, die onderzoek zou doen naar de cultuur van Palestijnse solidariteit in Europa. De tekst opende met: “Sinds Israël zijn slachtpartij is begonnen in oktober 2023...” Een officiële wervingstekst koos daarmee voor uitgesproken veroordelende taal. Toen het bestuur wilde bespreken of aanpassing nodig was, ondertekenden 215 wetenschappers een open brief tegen bestuurlijke bemoeienis. Zij beriepen zich op academische vrijheid.

Academische vrijheid verdient bescherming. Maar waarom zou een universiteitsbestuur geen vragen mogen stellen over de formuleringen waarmee zijn eigen instelling onderzoekers werft? De handtekeningen bewijzen geen antisemitisme. Ze laten wel zien hoe breed het verzet tegen die bestuurlijke toets was.

Ook bij de discussie over Israëlische samenwerkingspartners kwam de druk van binnenuit. In juni 2024 berichtte De Nieuwe Ster over een brief van 121 Maastrichtse wetenschappers die onmiddellijke opschorting van de banden verlangden. Een Israëlische SBE-studente, Evy Policker, reageerde daar fel op. Het conflict liep dus ook dwars door de universitaire gemeenschap.

In oktober 2025 ging een coalitie van Free Palestine Maastricht en UM Staff for Gaza verder. Zij stelde het bestuur een ultimatum: binnen vier weken moest duidelijk worden of alle banden met Israëlische instellingen werden verbroken. Zelfs het bieden van gelegenheid aan Israëlische partners om op onderzoeksbevindingen te reageren, werd bekritiseerd. Volgens de actievoerders verleende dat legitimiteit aan die instellingen.

Juist dat is veelzeggend. Hoor en wederhoor behoort tot zorgvuldige beoordeling. Een universiteit moet dat beginsel verdedigen, ook wanneer activistische medewerkers liever hebben dat de tegenpartij geen gelegenheid krijgt te antwoorden.

Ondertussen drong het activisme de collegezaal binnen. De Nieuwe Ster beschreef in oktober 2025 hoe actievoerders colleges bij rechten, FASoS en SBE onderbraken. Tijdens een hoorcollege rechten vroeg de docent: “Willen jullie iets komen zeggen?” Wat volgde was een politieke toespraak van bijna vijf minuten. In eerdere berichtgeving werden de collegeverstoorders ook als gemaskerd beschreven.

Een college binnendringen levert zo spreektijd op. Dat hoeft geen instemming van de docent met de boodschap te betekenen. Maar het effect blijft: de verstoring wordt beloond met een podium. Welke boodschap krijgen studenten die gewoon onderwijs willen volgen? En hoeveel vrijheid ervaart een student die de politieke boodschap afwijst, tegenover een groep die met bedekte gezichten de zaal binnenkomt?

Bij andere sprekers bleek de toegang tot dat podium veel moeilijker.

De lezing van Rawan Osman werd op 12 maart 2025 door Free Palestine-activisten verstoord en voortijdig beëindigd. Vervolgens mocht Shabbos Kestenbaum niet op de campus spreken, omdat de universiteit de veiligheid onvoldoende kon garanderen zolang het onderzoek naar het incident bij Osman liep. Hij moest uitwijken. Een Palestijnse fotograaf mocht in dezelfde periode wel spreken, omdat de UM hem als interne spreker beschouwde.

Het bestuur had daarvoor een procedurele verklaring. Maar de uitwerking was pijnlijk: na een verstoring werd de ruimte van een volgende spreker beperkt. De universiteit erkende later dat zij anders had moeten handelen en liet externe sprekers over Israël en Gaza weer toe. Die correctie verdient vermelding. Ze bevestigt tegelijk dat de bescherming van het academische debat eerder tekort was geschoten.

De verstoringen beperken zich bovendien niet tot colleges en lezingen. Op 31 augustus 2026 drongen actievoerders door tot het podium tijdens de opening van het academisch jaar in het Theater aan het Vrijthof. Ze waren als verlate gasten binnengelaten, met protestmateriaal in hun rugzakken. Herhaalde verzoeken van het bestuur om de ceremonie niet te verstoren, hadden aanvankelijk geen effect. Pas na ongeveer tien minuten vertrokken ze. Opmerkelijk: bij deze bijeenkomst schoot de beveiliging ernstig tekort.

Ook het bezoek van koning Willem-Alexander voor het vijftigjarig bestaan van de UM werd aangegrepen voor een onaangekondigde demonstratie. De dag ervoor waren meerdere universiteitsgebouwen beklad. Rond het Maastricht Debate van 2024, met Ursula von der Leyen, ontstonden eveneens grimmige protesten. Volgens latere raadsvragen hadden de verstoringen gevolgen voor evenementen en moesten mensen via nooduitgangen in veiligheid worden gebracht.

Een universiteit moet protest verdragen. Maar een instelling die bij colleges, lezingen, ceremonies en internationale bijeenkomsten telkens opnieuw wordt geconfronteerd met verstoring, moet zich afvragen of haar aanpak voldoende grenzen stelt. Steeds weer uitnodigen tot een gesprek is geen overtuigend antwoord als de volgende bijeenkomst opnieuw wordt gekaapt.

Ook de eigen programmering riep vragen op. In februari 2026 ontstond kritiek op een aangekondigde Libanonlezing van OmniUM, onder Studium Generale. Hezbollah werd in de beschrijving als verzetsbeweging opgevoerd. Na berichtgeving van De Nieuwe Ster werd de tekst aangepast. De spreker trok zich vervolgens terug. Vanuit de Joodse gemeenschap werd opnieuw gesproken over een eenzijdige benadering die medewerkers en studenten van hun universiteit vervreemdde.

Daar komt de terughoudendheid van justitie bij. In juni 2025 berichtte De Nieuwe Ster dat vijftien aangehouden bezetters van een UM-gebouw niet naar hun identiteit waren gevraagd en niet werden vervolgd. Justitie wilde een chilling effect op het demonstratierecht voorkomen. Bij het vervolgingsbesluit woog ook mee dat geen doelbewuste vernielingen of geweld waren gepleegd.

Maar wie onderzoekt het afschrikkende effect op studenten die geen bijeenkomst meer durven organiseren of hun Joodse identiteit minder zichtbaar maken? Ook hun vrijheid kan verkillen.

Na de bezetting aan de Oxfordlaan van april 2026 wachtte de UM volgens berichtgeving van 22 juli nog op de namen van de bezetters. De universiteit had die gevraagd om het dossier af te ronden. Ook daar verliep het trekken van consequenties moeizaam.

Burgemeester Wim Hillenaar koos bij de demonstraties van mei 2026 eveneens voor terughoudendheid. Gezichtsbedekking was aanvankelijk toegestaan en werd later bij noodbevel verboden. Vervolgens werd bewust afgezien van aanhoudingen daarvoor, om escalatie te voorkomen. Het rustige verloop was zijn belangrijkste maatstaf. Dat operationele belang is begrijpelijk. De vraag blijft welke betekenis een opgelegde grens heeft als overtreding zonder gevolg blijft.

Nu kiest Hillenaar opnieuw voor wachten. Over de kwestie rond de student verklaarde hij: “Vanwege alle gevoeligheden in de samenleving kan en wil ik hierover pas als burgervader communiceren als alle feiten op tafel liggen.” Hij kondigde ook gesprekken met betrokken groepen aan, in overleg met de universiteit.

Maar zijn rol als burgervader vereist geen afgerond strafrechtelijk onderzoek. Hij hoeft geen oordeel over schuld uit te spreken om Joodse inwoners en studenten te laten weten dat hun angst wordt gehoord en dat hun veiligheid ertoe doet. Juist wanneer de spanning groot is, moet een burgemeester zichtbaar zijn.

Wie wacht totdat alle feiten op tafel liggen, loopt het risico pas te spreken wanneer de ophef is weggeëbd en de kwestie bestuurlijk is teruggebracht tot een misverstand en wat onrust. Dan komt de betrokkenheid achteraf. Een burgervader hoort er te zijn wanneer mensen hem nodig hebben.

Onder Letscherts voorzitterschap kregen actievoerders volgens De Nieuwe Ster bovendien een eigen vergaderruimte op de Tapijnkazerne. Zo ontstaat het beeld van een instelling die activisten faciliteert, terwijl anderen moeten uitleggen waarom zij zich onvoldoende beschermd voelen.

De UM schortte uiteindelijk de strategische samenwerking met de Hebrew University of Jerusalem op, op advies van haar mensenrechtencommissie en vanwege de samenwerking van die instelling met het Israëlische leger. Individuele wetenschappelijke contacten bleven mogelijk. Dat besluit bewijst geen antisemitisme. Het toont wel dat de UM morele en institutionele afwegingen kan maken die verder gaan dan de vraag of een strafbaar feit is vastgesteld. Die verantwoordelijkheid bestaat ook op de eigen campus.

Antisemitisme is in Maastricht intussen een concreet probleem. Bij UWC werden sinds 2022 acht incidenten geregistreerd die daaraan raken, waaronder zes meldingen van hakenkruizen. UWC is een andere instelling, maar de ervaringen daar onderstrepen waarom geruststellende woorden onvoldoende zijn. De UM zelf deed eerder aangifte wegens antisemitische mails en uitingen op haar sociale kanalen.

Het zou daarom onjuist zijn te zeggen dat de universiteit nooit optreedt. Ze deed aangifte, liet bezettingen beëindigen en corrigeerde haar sprekersbeleid. Evenmin rechtvaardigen deze gebeurtenissen een algemene beschuldiging van antisemitisme aan het adres van honderden stafleden.

De kritiek is concreter: het bestuur lijkt telkens opnieuw te moeten worden aangespoord om de vrijheid en veiligheid van Joodse studenten even zichtbaar te verdedigen als het begrip toont voor de Palestijnse zaak.

Daarmee zet de universiteit ook haar reputatie op het spel. Een academische instelling ontleent haar gezag aan onafhankelijkheid, zorgvuldig onderzoek en de vrijheid om elkaar tegen te spreken. Wanneer het beeld ontstaat dat activistische druk bepaalt wie mag spreken, welke taal wordt gebruikt en welke grenzen worden gehandhaafd, tast dat het vertrouwen in de hele instelling aan. Ook in Maastricht, waar inwoners de verstoringen en bekladdingen zien en zich afvragen waarom de universiteit zo moeilijk haar gezag laat gelden.

Die reputatie behoort bovendien niet alleen aan het bestuur. Ze is ook van de studenten en afgestudeerden die jarenlang hebben gewerkt voor een Maastrichts diploma. Er is geen bewijs dat hun diploma hierdoor minder waard is geworden op de arbeidsmarkt. Maar een universiteit die wordt geassocieerd met politieke eenzijdigheid en onvoldoende bescherming van Joodse studenten, dreigt haar academische naam te laten overschaduwen door bestuurlijke controverses. Daarmee brengt het bestuur ook de goede naam van zijn afgestudeerden in gevaar. Zij verdienen een universiteit waarop ze trots kunnen zijn, zonder telkens het optreden van haar bestuur te hoeven uitleggen.

Een student die zo’n video plaatst, heeft wat ons betreft zijn plek aan deze universiteit verspeeld. Dit is geen kleuterklas waarin je met een vermaning en een beroep op een misverstand weer verder kunt. Van een volwassen student mag verantwoordelijkheidsbesef worden verwacht. Dat het OM geen strafbaar feit constateert, ontslaat het universiteitsbestuur niet van de verantwoordelijkheid om zelf een duidelijke grens te trekken.

Maar de verklaring van vrijdag draait vooral om zijn terugkeer. Wat de universiteit concreet doet voor de Joodse studenten die bang zijn, blijft veel minder duidelijk. Na deze lange voorgeschiedenis is dat geen klein tekort in de communicatie. Het is bestuurlijk falen.

Gratis nieuwsbrief, niks meer missen
Wilt u ook van maandag tot en met zaterdag vóór 6.00 uur het laatste nieuws over Maastricht in uw mailbox? Meld u dan gratis aan voor de nieuwbrief van De Nieuwe Ster. Meer dan 20.000 trouwe lezers gingen u al voor. Het enige wat wij van u vragen
★
Maak De Nieuwe Ster je Google-favoriet Zie ons lokale nieuws vaker terug in Google.
Maak favoriet →
Beste lezer,
Al ons nieuws is en blijft gratis, maar waardeert u ons werk, steun dan De Nieuwe Ster.

Laatste Nieuws

Ons nieuws is en blijft altijd gratis als je je inschrijft voor de gratis nieuwsbrief

Er is iets misgegaan. Probeer het later opnieuw

Bedankt voor uw aanmelding. Controleer uw e-mail om de inschrijving af te ronden