Inhoudsopgave
Op 24 mei 1742 werd in de Waalse kerk in de Sint Pieterstraat een meisje gedoopt met de namen Anne Jeronime Louise Charlotte. Twee dagen eerder was zij in Maastricht ter wereld gekomen als dochter van Louis Samuel de Pramoran, seigneur (adellijke heer) van Renan (Zwitserland), en Henriette Charlotte de Chalmot du Portal. In het doopregister van de Waalse kerk werd genoteerd dat de vader burger van Lausanne (Zwitserland) was en de moeder in Maastricht was geboren. Tien jaar later was het huwelijk van dit echtpaar zodanig slecht geworden dat Henriette Charlotte een verzoek wilde indienen om van haar echtgenoot van tafel en bed te worden gescheiden.
Door Stefan Vrancken

Notaris Leonard Thielen
Wat zich precies heeft afgespeeld, zal altijd in het duister van het verleden blijven hangen, maar uiteindelijk was Henriette Charlotte bereid geweest om de scheiding niet door te zetten en zich te verzoenen met haar echtgenoot. Ze wilde daar wel voorwaarden aan verbinden. Daarom besloten Louis Samuel en Henriette Charlotte hun verzoening door een notaris te laten vastleggen. Op 4 april 1752 verscheen het echtpaar voor notaris Leonard Thielen om hun verzoening officieel vast te leggen. De akte die op die dag werd opgemaakt, heeft de eeuwen doorstaan en ligt tegenwoordig in een van de ondergrondse depots van het Historisch Centrum Limburg (HCL). Het gebouw van het HCL, de Oude Minderbroederskerk, ligt tegenover de Waalse kerk, waar op 24 mei 1742 het dochtertje van Louis Samuel en Henriette Charlotte werd gedoopt.

Een tweede kans
Notaris Thielen noteerde in zijn akte dat Louis Samuel een gepensioneerde kolonel van een regiment Zwitsers was, in dienst van de Staten-Generaal van de Republiek van de Zeven Verenigde Nederlanden. De notaris werd uitgebreid geïnformeerd over de problemen in het huwelijk. Veel ongenoegen was ontstaan tussen de echtelieden. Zij konden niet meer met elkaar samenleven. De notaris noteerde dat ‘de agtinge en liefde die tusschen malkanderen als eene hert en ziele tusschen twee echteliedens behoorden plaats te hebben onderlings was naegelaeten’. De verwijdering was dusdanig gegroeid dat regelmatig ruzie ontstond. Hoewel Henriette Charlotte weer van rust en vrede wilde genieten, en daarom een scheiding van tafel en bed had willen verzoeken, was zij op haar voornemen teruggekomen. Veel gesprekken met familieleden en andere vertrouwelingen hadden ertoe geleid dat zij haar echtgenoot een tweede kans wilde geven. Zij had hiertoe ook besloten ter voorkoming ‘van alle onheijl en misnoegen en andere quade gevolgen’. Haar voorwaarde was wel dat Louis Samuel zich zou gaan gedragen als ‘een man van eere’. Zij beloofde op haar beurt dat zij zich zou gedragen zoals een ‘ordentelijke huijsvrouw’ dat verplicht is.

Zekerheid voor de toekomst
Louis Samuel en Henriette Charlotte besloten elkaar over en weer te vergeven voor alles wat de afgelopen tijd was gebeurd. Zij verklaarden elkaar weer te erkennen als 'lieden van vatsoen'. In het bijzijn van de notaris gaven zij elkaar een kus als teken van de verzoening. Zij beloofden alle moeite te doen om ‘te leven en te verkeeren soo als alle echteliedens behooren te doen’. Henriette Charlotte wilde graag zekerheid voor de toekomst. Voor de situatie dat het huwelijk uiteindelijk toch op de klippen zou lopen, wilde Henriette Charlotte alvast zeer belangrijke afspraken met haar echtgenoot maken.
Mocht het alsnog tot een scheiding van tafel en bed komen, dan was de eis van Henriette Charlotte dat Louis Samuel afstand zou doen van ‘sijne mannelijke en vaderlijke macht’ over Henriette Charlotte en hun dochter. Henriette zou zorgen voor de ‘educatie ende opvoedinge’. Om die reden zou hun dochter in zo’n situatie blijven wonen bij Henriette Charlotte. Om in het levensonderhoud van haarzelf en haar dochter te kunnen voorzien, verlangde Henriette Charlotte dat Louis Samuel afstand zou doen van de helft van zijn pensioen. Elke maand zou de helft van dat pensioen aan Henriette Charlotte uitgekeerd moeten worden. Henriette zou haar juwelen en kleren mogen behouden. Ook zou zij meubels en zilverwerk toegedeeld krijgen als het huwelijk toch niet zou slagen. Louis Samuel zou op zijn beurt zijn persoonlijke bezittingen mogen houden. De overige bezittingen zouden in onderling overleg worden verdeeld.
De overeenkomst tussen Louis Samuel en Henriette Charlotte heeft kenmerken van een hedendaags echtscheidingsconvenant. Louis Samuel stemde met alles in. Mogelijk wilde hij een publiek schandaal voorkomen.
Een predikant als tolk
Bij de ondertekening van de akte door Louis Samuel en Henriette Charlotte waren twee getuigen aanwezig. Die verplichte aanwezigheid van twee getuigen bestaat al zeer lang niet meer. Als getuigen traden op Marc Guitton, ‘predikant van de Gereformeerde Waalsche Gemeente deser stad’, en Anthoon Roux. Louis Samuel sprak blijkbaar geen Nederlands, want de notaris noteerde dat Marc Guitton aan Louis Samuel de inhoud van de akte woordelijk in het Frans had uitgelegd. Als notaris heb ik regelmatig cliënten aan tafel die geen of nauwelijks Nederlands spreken of verstaan. Wanneer een partij bij een notariële akte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, is op grond van de Wet op het notarisambt de bijstand van een tolk verplicht. De tolk zit dan samen met de cliënt aan tafel en moet de notariële akte ook ondertekenen.
Louis Samuel, Henriette Charlotte, de getuigen en de notaris ondertekenden vervolgens samen de akte. De handtekeningen onder de akte zijn hieronder afgebeeld.

Een lening aan een baron
Bijna een jaar later waren Louis Samuel en Henriette Charlotte nog steeds bij elkaar. Op 8 maart 1753 werd namelijk door de eerdergenoemde notaris Leonard Thielen een akte gepasseerd waarbij het echtpaar een bedrag van maar liefst vierduizend gulden uitleende aan de toenmalige heer van Nedercanne, Johann Hieronimus baron de Dopff. Deze baron moet niet worden verward met Daniël Wolfgang baron de Dopff, die in de periode 1713-1718 de militaire gouverneur van Maastricht was.
Kennelijk had de verzoening tussen Louis Samuel en Henriette Charlotte haar doel voorlopig bereikt: het echtpaar trad nog altijd gezamenlijk op en beschikte over voldoende middelen om een aanzienlijk bedrag uit te lenen.
