Inhoudsopgave
Afgelopen zaterdag bezocht ik de spektakelmusical Bokkenrijders. Landelijke critici waren de afgelopen tijd niet bijzonder positief over deze productie van Toneelgroep Maastricht. Of je de musical waardeert, is uiteraard heel persoonlijk. Het hangt vooral af van wat je ervan verwacht. De vervolging van de bokkenrijders fascineert mij al jaren. Een deel van mijn voorouders en hun verwanten werd namelijk slachtoffer van wat tegenwoordig vaak de grootste justitiële dwaling uit de geschiedenis van de Nederlanden wordt genoemd.
Door Stefan Vrancken
Ik heb de musical niet bezocht met de verwachting dat ik een documentaire te zien zou krijgen. Hoewel het verhaal historisch gezien niet altijd diepgang heeft, is het een groots opgezet spektakel. De bijbehorende droneshow bezorgde mij “sjevraoje”. Al met al kijk ik terug op een indrukwekkende avond.
Een volksopera
Het is niet de eerste keer dat de bokkenrijdersgeschiedenis in muzikale vorm wordt gepresenteerd. In 1967 vierde Carnavalsvereniging De Tempeleers haar tweemaal elfjarig bestaan. In het feestprogramma werd de première van de volksopera De Bokkenrijders opgenomen. De “Zuid-Nederlandse Opera” bracht de opera op 12 november in première in de stadsschouwburg. De Nieuwe Limburger van 21 juni 1967 schreef: “De Tempeleers zullen deze uitvoering op die avond aanbieden aan alle Zuidlimburgse carnavalsprinsen met deputaties van hun Raden in groot tenue.” De volksopera werd na de première “ingezet in het nieuwe seizoensprogramma van de Z.N.O.”, zo meldde De Nieuwe Limburger.
De bokkenrijders op het toneel
“Grote toeloop voor toneel bokkerijders”, zo kopte het Limburgs Dagblad van 24 februari 1976. Tien dagen eerder was in de toneelstudio van de Toneelacademie Maastricht het toneelstuk met de titel “De Bokkerijders in het hart van Barbarije” in première gegaan. Het Limburgs Dagblad schreef dat het toneelstuk was “gebaseerd op een reeks improvisaties, die vijf studenten onder leiding van de Belgische docent Tone Brulin hebben gedaan. Het toneelstuk is een combinatie van geschiedenis en fantasie en wisselt tussen het heden (1976) en het verleden (1776), het jaar waarin de laatste Bokkerijder werd opgehangen.”
Een hoorspel
Niet alleen speelden de bokkenrijders een rol in een spektakelmusical, een volksopera en een toneelstuk. Ook vormde hun geschiedenis de basis voor een hoorspel. De Gazet van Limburg plaatste op 1 maart 1952 onderstaand bericht.

Amby opgeschud
In de twintigste eeuw werden moderne geweldadigheden regelmatig vergeleken met de bokkenrijders uit de achttiende eeuw. In het christelijk-historisch dagblad De Nederlander verscheen op 9 januari 1948 een opvallend verhaal over ‘bokkenrijders’ in Amby. Dit bericht wil ik de lezers van De Nieuwe Ster niet onthouden. Het is hieronder geplaatst.

Twee metselaars
In 1922 stonden twee metselaars terecht voor de rechtbank in Maastricht. De Maasbode van 12 april 1922 zette hen neer als “moderne bokkenrijders”. Het bericht over deze zaak is hieronder afgebeeld.

Notarissen en doodvonnissen
De geschiedenis van de bokkenrijders blijft fascineren. Mannen én vrouwen werden na gruwelijke martelingen gedwongen een bekentenis af te leggen en vervolgens door de lokale schepenbanken ter dood veroordeeld. Een schepenbank was destijds zowel een bestuursorgaan als een rechtbank. Vrijwel elk dorp had zijn eigen schepenbank. De schepenen bestuurden en spraken recht. Regelmatig kwam het voor dat ook Maastrichtse notarissen tijdelijk onderdeel uitmaakten van schepenbanken buiten Maastricht. Zo waren de notarissen Melchior Corstius en Hubert Nolens tijdelijk schepen van de schepenbank Geulle. Zij plaatsten op 19 maart 1774 hun handtekening onder het doodvonnis van mijn voorvader Willem Vrancken. Hij werd, nadat hij onder zware marteling had “bekend” lid te zijn van de bokkenrijders, veroordeeld tot de galg. Het vonnis bepaalde dat het dode lichaam van Willem in ketenen geklonken aan de galg zou blijven hangen. Toen mijn voorouders Jan Wanten en Pieter Penders uit Catsop in 1773 door de schepenbank Elsloo ter dood werden veroordeeld wegens hun vermeende betrokkenheid bij de bokkenrijders, werden ook hun doodvonnissen door meerdere Maastrichtse notarissen ondertekend. Joannes Winandus Roemers, Caspar Otzeling, Adam Matthias Gudi en Peter Frederix waren de notarissen die mede de dood van Jan Wanten en Pieter Penders op hun geweten hadden. Waarom namen die Maastrichtse notarissen tijdelijk zitting in de schepenbanken van Geulle en Elsloo? Gearresteerde bokkenrijders uit Geulle en Elsloo werden in veel gevallen overgebracht naar het Dinghuis (het Oud Stadhuis) in Maastricht. Het was in die gevallen bijzonder praktisch om inwoners van Maastricht tijdelijk zitting te laten nemen in die schepenbanken. De vonnissen van Willem Vrancken, Jan Wanten en Pieter Penders werden uitgesproken in het Dinghuis. In die periode kleefde bloed aan de handen van Maastrichtse notarissen.

