Inhoudsopgave
Af en toe krijg ik de kans om uit te leggen hoe mooi het is om notaris te zijn. Als notaris zie je de hele samenleving aan je voorbijtrekken. Je ontmoet in je spreekkamer mensen die je onder andere omstandigheden nooit zou hebben leren kennen. Mensen met een verhaal, en elk verhaal is anders.
Je bent betrokken bij vrijwel alle belangrijke momenten in een mensenleven. Ook vorige week kreeg ik de gelegenheid om die passie voor het notariaat met een publiek te delen. Dat publiek was naar het Pesthuys gekomen om mijn lezing over de drie Franse periodes in de geschiedenis van Maastricht bij te wonen.

Een bijzondere inkijk
'Ouvrez la porte!’ was de titel van mijn lezing. Maar liefst drie keer werd de militaire gouverneur van Maastricht gedwongen de stadspoorten open te zetten voor een Franse legermacht. De basis voor mijn lezing werd gevormd door de inhoud van akten van notarissen die in de zeventiende en achttiende eeuw werkzaam waren in Maastricht. Het takenpakket van een stadsnotaris was in die periode veel uitgebreider dan tegenwoordig. Ik vertelde de bezoekers dat notarissen in de zeventiende en achttiende eeuw hun akten vaak veel 'kleur' gaven door uitvoerig persoonlijke achtergrondinformatie over hun cliënten vast te leggen. Die notariële akten geven daarmee een bijzondere inkijk in het leven van de Maastrichtenaar uit vervlogen tijden. Verhalen en geheimen die ooit met hun hoofdrolspelers het graf in gingen, kunnen dankzij het bestuderen van notariële akten opnieuw aan het licht worden gebracht. Tijdens mijn lezing stelde iemand uit het publiek de vraag of ik zelf als notaris bijdraag aan het vastleggen van persoonlijke verhalen van cliënten, zodat deze bewaard blijven voor toekomstige generaties. Het was een vraag die mij aan het denken zette. Is een notaris anno 2026 nog steeds een stille getuige van het menselijk leven?
Een kind in de Kattenstraat
Als notaris maak je tegenwoordig veel mee en ben je nog steeds een stille getuige van de geschiedenis van morgen. Toch valt dat in het niet bij de ‘avonturen’ die notarissen in de zeventiende en achttiende eeuw beleefden. Op 29 september 1730 verliet notaris Wijnand Kicken zijn woning op de Boschstraat om een bezoek te brengen aan Helena Mengers, die op dat moment verbleef in een huis in de Kattenstraat in Wyck. Hij had ook twee getuigen bij zich, Peter Frederix en Wijnand Vroegop. De opdracht tot het bezoek had de notaris gekregen van Joannes Roborg. Recentelijk was Helena Mengers bevallen van een kind waarvan Joannes Roborg de vader was. In vergelijkbare gevallen wilde een man in een dergelijke situatie vrijwel nooit iets te maken hebben met het kind dat hij verwekt had. Maar deze keer was het anders. Joannes wilde zijn kind graag zelf opvoeden. Daarom liet hij notaris Kicken aan Helena verzoeken het kind aan hem af te staan. Helena liet de notaris weten dat Joannes het kind mocht meenemen, mits hij haar een bedrag van vijfentwintig gulden betaalde. Ze had namelijk kosten moeten maken in verband met de bevalling. Die kosten wilde ze vergoed krijgen. De notaris maakte van hetgeen besproken werd keurig een akte op, en ondertekende die samen met de getuigen. Of Joannes Roborg de gevraagde vijfentwintig gulden betaald heeft, en het kind vervolgens naar de vader verhuisde, heb ik helaas (nog) niet kunnen ontdekken.
Een onwettige zoon
Joannes Roborg nam de verantwoordelijkheid voor zijn kind, ook al was hij niet getrouwd met de moeder. De Maastrichtse bakkerszoon Arnold Anten nam een andere positie in. Arnold had aan Gertruijd Ihmdael beloofd om met haar te trouwen. Beiden waren op dat moment nog minderjarig. In die tijd werd een man volwassen op zijn vijfentwintigste verjaardag. Een vrouw werd al vijf jaar eerder volwassen. Arnold verwekte een kind bij Gertruijd, maar daarna wilde hij niet langer met haar trouwen. Op 5 oktober 1721 werd het kindje van Arnold en Gertruijd als een “filius illegitimus” (onwettige zoon) gedoopt in de Sint Martinuskerk in Wyck. De pastoor noteerde dat Arnold Anten de vader was. De naam van de dopeling, Matthias, was niet toevallig gekozen. De vaderlijke grootvader van het kind heette namelijk Matthijs Anten. Wilde Gertruijd door het kiezen van die naam de familierechtelijke betrekking met de vader van haar kind extra benadrukken? Op 9 juni 1722, ruim acht maanden na de bevalling, zat Gertruijd Ihmdael samen met Matthijs Anten, de grootvader van haar kind, aan tafel bij notaris Leonard Thielen. Uit de akte die notaris Thielen die dag opmaakte, ontvouwt zich een drama dat ongetwijfeld de tongen heeft losgemaakt in Maastricht.

Een gedwongen huwelijk
Omdat Arnold weigerde om met Gertruijd te trouwen, maakte Gertruijd een proces aanhangig bij zowel het Luiks als het Brabants Hooggerecht in Maastricht. Zij eiste dat Arnold met haar zou trouwen en voor zijn kind zou zorgen. Van enige romantiek zal geen sprake zijn geweest. Uiteindelijk besliste het Brabants Hooggerecht in het voordeel van Gertruijd. Arnold werd gedwongen om met de moeder van zijn kind te trouwen. Tot een huwelijk zou het niet komen. Na zijn veroordeling ontvluchtte Arnold de stad.
Hoe de pastoor van de Sint Nicolaaskerk betrokken raakte bij deze kwestie is niet bekend, maar feit is dat pastoor Gerardus Haeghemans volgens de akte van notaris Thielen zijn invloed uitoefende en wist te bereiken dat Gertruijd Ihmdael en Matthijs Anten een overeenkomst sloten. Matthijs Anten zou zijn kleinzoon in huis nemen en voortaan voor hem zorgen. Alle kosten van de opvoeding zouden door opa Anten voor zijn rekening worden genomen. Ook zou Matthijs aan Gertruijd een bedrag van 100 gulden betalen. Dat bedrag werd in de tegenwoordigheid van notaris Thielen aan Gertruijd overhandigd. Binnen veertien dagen na ondertekening van de akte zou Matthijs bovendien aan de advocaat en de procureur van Gertruijd ieder een bedrag van vijfentwintig gulden betalen. Het honorarium van beide heren zou daarmee voldaan zijn. En dat was niet alles. De kosten van het Luiks en Brabants Hooggerecht werden ook gecompenseerd door Matthijs.
Pastoor Haeghemans was getuige
Na ondertekening van de akte en de betaling van alle bedragen zouden Matthijs en Gertruijd de zaak verder als afgedaan zien. Gertruijd was financieel gecompenseerd. Opa Matthijs zou de verdere opvoeding van zijn kleinzoon ter hand nemen. Omdat Gertruijd nog minderjarig was, ondertekende haar nicht Maria Ihmdael, die wel volwassen was, ook de akte. De eerder genoemde pastoor Haeghemans was samen met Joannes Maxfelt aanwezig als getuige. Hieronder is afgebeeld een fragment van de akte van notaris Thielen. De handtekeningen van alle betrokkenen zijn te zien. Matthijs Anten, Gertruijd Ihmdael en Maria Ihmdael konden alle drie niet schrijven. In plaats van een handtekening plaatsten zij een kruisje onder de akte. Drie eeuwen later vertellen die eenvoudige kruisjes nog altijd hun verhaal.
