Inhoudsopgave
Het was voor mij een bijzonder cultureel weekje. Het gebeurt immers niet vaak dat ik in een week tweemaal in het theater zit.Weliswaar vertoonden de voorstellingen onderling grote verschillen, er waren toch ook opvallende overeenkomsten te bespeuren: de samenstellers lieten grote maar menselijke verhalen van eigen bodem vertellen, en de uitvoerenden vertelden de verhalen met liefde.
De beide theaters leken echter in niets op elkaar. Woensdag zat ik in het De Geusselt voor de première van ‘De Bokkenrijders’. In het voetbalstadion waaide en regende het. Ik had voordien nog geen enkele ervaring met bekijken van een voorstelling van onder een poncho, en dat heeft mijn buurman geweten. Diverse malen kreeg hij mijn beregende plastic in het gezicht. Maar ik moet zeggen, het had wel wat. De regen en het ruisen van de poncho’s verbroederden.
Het publiek had merkbaar zin in een mooie show, en dat werd het ook. Sterker nog: het was overweldigend. Paarden galoppeerden langs de eerste rijen zoals in de Duitse Cowboy-und-Indianer-Parken uit mijn jeugd. Honderden drones dansten onheilspellend boven het stadion. De hitte van reuzenvlammen was op de tribunen - hemelsbreed tachtig meter van mij vandaan - goed voelbaar. Levende lichamen bungelden wild aan galgen, tot de dood erop volgde. Er werd gegriezeld om de martelwerktuigen en gelachen om de onbeholpen beul. Entertainment van de hoogste orde dus, maar er werd nog steeds overtuigend een verhaal verteld dat duidelijk verteld moet worden. De Bokkenrijders waren geen ‘rebels without a cause’, geen fantomen, maar menselijke mensen van allerlei pluimage die in verzet kwamen tegen de rechteloosheid en de uitbuiting, onderdrukking en machtsmisbruik, gepleegd door adel en geestelijkheid.
Ook vrijdag zat ik in het theater, of beter gezegd: in Opus 9. Zo heet de Theresiakerk sinds het gebouw in gebruik is als hoofdkwartier van Philzuid. Het is er aangenaam luisteren met dank aan de akoestische maatregelen: zachte bordeauxrode panelen die het kerkinterieur ook optisch verfraaien. Ik was blij met mijn zitplaats op een losse stoel: de wel degelijk nog aanwezige kerkbanken kun je voor een concert van ruim anderhalf uur beter mijden. Het concert was onderdeel van Internationaal Festival Vocallis. Philzuid zelf trad niet op, maar wel enkele uiterst bekwame solisten uit de gelederen van dat orkest. We zaten bijna bij hen op schoot en konden veel meer horen dan wat een geluidsopname via Spotify, cd of lp doorgaans overbrengt. En we konden van nabij natuurlijk alles uitstekend zien, dus ook de warme interactie van sopraan Lenneke Ruiten en bariton Raoul Steffani met hun begeleider op vleugel, Roger Braun.
Zoals ik in een eerdere column al schreef: het gaat altijd om de mensen. Onder de titel ‘Muzikale voetsporen in de stad’ werden allerlei relatief korte stukken gebracht van Maastrichtse componisten. Ook hier klonk het Maastrichtse verhaal, dat grotendeels in de vergetelheid is geraakt. Immers, wie weet nog wie Henri Hermans was, anders dan de naamgever van een straat in het Villapark? Of Joseph Holmans? Alexander Batta? Het waren sterren in hun eigen tijd en - met dank aan het informatieve programmaboekje én de geslaagde uitvoering van hun muziek - weet ik nu waarom. De romantische liederen van Andrée Bonhomme brachten ons naar de salons van begin vorige eeuw. In het Frans uiteraard, want dat was de taal van de elite en ook die van de componist. Carl Smulders maakte een eerbetoon aan de gevallenen van de Eerste Wereldoorlog door Victor Hugo’s gedicht ‘Ceux qui pieusement sont morts puur la Patrie’ op muziek te zetten. Smulders hield in Nederland vele benefietconcerten met als goede doel de vele Belgische vluchtelingen in Nederland.
Gustaaf de Pauws lied ‘De vluchtelingen’ had hetzelfde thema; de componist verwerkte als eerbetoon aan de ontheemden het Belgische volkslied in de muziek.‘Waarheen o mijn God, Waarheen onze schreden,Waarheen met mijn kind met mijn dierbaarste pand. Waarheen al die grijsaards, waarheen al die vrouwen. Nu have en goed en hun huis werd verbrand’. Doch hoor tusschen al dat geschrei en gejammer, klinkt de stem van de edele Hollandsche Maagd: Komt binnen mijn arme, Komt binnen oude van dagen. Opdat Holland een deel van uw armoe draagt”. Nederland - in het gedicht synoniem met Holland - ving indertijd (1914-1918) ongeveer een miljoen vluchtelingen op. Kom daar nu nog eens om. Het Franse monument aan de Nieuwenhofstraat in Maastricht herdenkt nog steeds de honderden Franse vluchtelingen die in Nederland overleden.
Recenter werk was te horen van stadscomponist Hans Leenders, die het gedicht ‘Im Grenzland’ van Wiel Kusters van muziek heeft voorzien.Veel van de stukken die vrijdag jongstleden werden gebracht moesten door de musici uit het archief worden opgediept en geschikt worden gemaakt voor uitvoering. Maar het was merkbaar dat dat monnikenwerk én het uitvoeren zelf met de grootste toewijding is gebeurd. Het Maastrichtse muzikale verhaal blijkt heel veelzijdig te zijn, verweven met de wereldgeschiedenis, en biedt ook fijnproevers veel aangenaams.


