Inhoudsopgave
Op 27 december 1718 bracht de Maastrichtse notaris Jean Louis Veugen een bezoek aan Joannes Franciscus Dassen, de eenenvijftigjarige pastoor van Heer. Pastoor Dassen, die opgegroeid was in Heugem, lag ziek in bed. Hij had notaris Veugen naar de pastorie in Heer laten komen om hem zijn besloten testament te overhandigen.
Door Stefan Vrancken
Het testament, dat de pastoor zelf had opgesteld, bevond zich in een papieren omslag die door de pastoor was verzegeld. Op de omslag schreef de notaris dat de pastoor hem dit testament op zijn ziekbed persoonlijk had overhandigd. Nadat de notaris op de omslag een aantekening had geplaatst en deze had ondertekend, gaf hij het testament terug aan de pastoor. De authenticiteit van het testament was daarmee vastgelegd. Acht dagen later, op 4 januari 1719, was pastoor Dassen al niet meer in leven.
Een sobere uitvaart
Op 4 januari 1719, acht dagen nadat hij aan het bed van pastoor Dassen had gezeten, bracht notaris Veugen wederom een bezoek aan de heerlijkheid Heer. In tegenwoordigheid van twee schepenen van de schepenbank Heer, Lemmen Thijssen en Jan Coninx, werd aan de notaris het testament van de inmiddels overleden pastoor Dassen overhandigd.
De notaris constateerde dat de omslag waarin het testament zat nog steeds verzegeld was. Hij werd verzocht de omslag te verwijderen en het testament voor te lezen. Twee naaste familieleden van de pastoor waren hierbij aanwezig. Dit waren zijn broer Laurens Dassen en zijn zwager Frans van den Boorn, gehuwd met Anna Dassen. In zijn testament had de pastoor verzocht om zijn laatste rustplaats in de kerk van Heer te krijgen. Hij wilde bovendien een uitvaart ‘sonder eenige pompe met de alderminste costen’. Zijn afscheid moest dus zeer sober plaatsvinden.

De onterfde zus van de pastoor
Uit het testament van de pastoor blijkt dat zijn broer Laurens en zijn zus Anna, de echtgenote van Frans van den Boorn, bij leven al veel van hem hadden gekregen. Laurens moest zich daarom tevredenstellen met een bedrag van honderd gulden uit de erfenis. Anna had al zulke grote bedragen ontvangen dat zij volledig werd onterfd. Niet lang voor het opmaken van zijn testament had hij nog een schuld van Anna betaald. Zij moest zich daarom maar tevredenstellen met hetgeen zij al ontvangen had, zo had de pastoor bepaald.
Anna Dassen was de betovergrootmoeder van Jacobus van den Boorn, die in 1835 in Maastricht overleed. Jacobus was op zijn beurt de grootvader van mijn betovergrootmoeder Maria Hubertina Catharina van den Boorn. Zij werd in 1840 in Heer geboren en was gehuwd met Jan Laurens Cremers.
Anna van den Boorn, de dochter van Anna Dassen en Frans van den Boorn, werd wel bedacht door haar oom. Zij was het petekind van de pastoor en had bij hem ingewoond als dienstmeid. Waarschijnlijk was de in Heugem opgegroeide Anna in die periode bij haar oom verliefd geworden op Machiel Coninx, een jongeman uit Heer. Op 19 januari 1717 trouwden zij in Heer. Pastoor Dassen trad op als peter bij het doopsel van het eerste kind van Anna en Machiel. Tussen pastoor Dassen en zijn nicht Anna van den Boorn bestond dus waarschijnlijk een mooie band. De pastoor liet zijn nicht vijftig gulden na.
Margaretha Dassen, dochter van zijn broer Jan Dassen, was de lievelingsnicht van de pastoor. Haar benoemde hij tot zijn enige erfgenaam. Hij deed dit omdat Margaretha hem veertien jaar lang met haar goede zorgen had bijgestaan. Op deze wijze wilde hij zijn nicht belonen voor haar trouwe diensten.
Een geheimzinnige kast in het kasteel van Meerssenhoven
Wie ook een sobere uitvaart wenste, was Goswinus Pipers, de negenenzestigjarige pastoor van Itteren. Op 12 maart 1696 zat de Maastrichtse notaris Guillaume Demelinne aan het bed van pastoor Pipers in zijn woning in Itteren. De pastoor was ziek. Hij wilde een uitvaart zonder ‘eenige pomperie’, dus in alle eenvoud. Het was zijn wens om een graf in de kerk van Itteren te krijgen. Hij was niet in Itteren geboren. Zijn wieg had in Geulle gestaan.
De pastoor had notaris Demelinne naar Itteren laten komen omdat hij zijn einde zag naderen. De notaris moest het testament van de pastoor opstellen. Net als pastoor Dassen van Heer had ook pastoor Pipers van Itteren een nicht die hem had bijgestaan. Aan die nicht, Maria Pipers, liet hij een kast met inhoud na. Die kast bevond zich niet in zijn huis in Itteren. Volgens het testament stond die kast in het kasteel van Meerssenhoven. Wat zou zich in die kast hebben bevonden? En waarom stond die kast in het kasteel van Meerssenhoven? Helaas zal dat altijd in nevelen blijven gehuld.

Bier voor de schutterij
Aan Jenneken Schepers, het dochtertje van zijn eerdergenoemde nicht Maria Pipers en haar echtgenoot Jan Schepers, liet pastoor Pipers de bedstede na waarin hij lag toen hij zijn testament ondertekende. Aan Maria en Jan liet de pastoor zijn meubels na. In ruil hiervoor waren zij verplicht om zijn uitvaart te verzorgen en op de dag van zijn uitvaart broden uit te delen aan de armen van Itteren. Ook waren Maria en Jan verplicht om aan de schutterij van Itteren vier tonnen bier te doneren.
Aan zijn broer Hendrick Pipers liet de pastoor zijn kleding en vee na. Tot zijn enige erfgenamen benoemde de pastoor de zes kinderen van zijn broer Hendrick. Een van de kinderen van Hendrick was Gerard Pipers. Gerard Pipers en zijn echtgenote Margaretha Keberts, inwoners van Geulle, waren voorouders van mijn betovergrootmoeder Maria Catharina Elisabeth Penders (1849-1886), gehuwd met Joannes Vrancken.
Pastoor Pipers sloot zijn testament af met de bepaling dat zijn neef Matthijs Lemmens, zoon van zijn zus Jenne Pipers en haar echtgenoot Martinus Lemmens, niets uit zijn nalatenschap kreeg. Niet lang na de ondertekening van het testament overleed de pastoor.

Al ons nieuws is en blijft gratis, maar waardeert u ons werk, steun dan De Nieuwe Ster.