Inhoudsopgave
„Dat hebben we zelf toch niet verzonnen?”, vroeg CDA-fractievoorzitter Gabriëlle Heine tijdens de domeinvergadering over de ambitie om Maastricht met 10.000 tot 15.000 inwoners te laten groeien naar 140.000 inwoners. Wethouder Hubert Mackus moest het antwoord toen schuldig blijven. Hij zou het laten uitzoeken.
Dat antwoord ligt er nu. En eigenlijk luidt het: ja, de gemeente heeft dat in belangrijke mate zelf bedacht.
Niet zomaar uit de losse pols. Er ligt wel degelijk een berekening onder. Maar die berekening toont iets anders aan dan de conclusie die het stadsbestuur eraan verbindt.
De gemeente heeft de bevolkingsopbouw van Maastricht in 2020 naast de verwachte bevolkingsopbouw in 2050 gelegd. In de leeftijdsgroep van 25 tot en met 45 jaar ontstaat volgens die vergelijking een gat van 10.000 tot 15.000 mensen. De gemeentelijke conclusie is vervolgens dat Maastricht precies zoveel mensen in die leeftijd moet aantrekken om de beroepsbevolking op peil te houden.
Dat klinkt logisch. Totdat je preciezer kijkt naar wat er daadwerkelijk is berekend.
Geen banen geteld
De gemeente heeft niet onderzocht hoeveel banen Maastricht in 2050 heeft, zo je dat al zou kunnen voorspellen. Kijk alleen al naar de ontwikkelingen rond AI: dat gaat zo ontzettend hard, dat niemand kan zeggen wat de uitwerking is over 24 (!) jaar. Juist op ICT- en AI-gebied gaan de ontwikkelingen zo snel, dat je het bijna letterlijk hebt over een eeuw vooruitkijken.
Ook is niet berekend hoeveel werknemers met pensioen gaan, hoeveel bestaande banen daardoor vrijkomen, hoeveel banen verdwijnen door automatisering en hoeveel nieuwe banen er ontstaan.
Er is evenmin gekeken naar de opleidingen en beroepen waarin tekorten worden verwacht. Een tekort aan verpleegkundigen, technici of leraren wordt immers niet automatisch opgelost door willekeurig 10.000 tot 15.000 mensen tussen de 25 en 45 jaar naar Maastricht te halen.
Wat de gemeente wél heeft gedaan, is twee bevolkingspiramides met elkaar vergelijken. Het verschil tussen beide piramides wordt daarna een „aankomend tekort aan mensen in de beroepsbevolking” genoemd.
Maar een gat in een bevolkingspiramide is nog geen tekort op de arbeidsmarkt.
Daarvoor moet je niet alleen weten hoeveel mensen er straks wonen, maar vooral hoeveel werk er is, welke werknemers daarvoor nodig zijn en hoeveel van die banen daadwerkelijk niet kunnen worden ingevuld. Die berekening ontbreekt.
Bestaande banen
De achterliggende gedachte van Mackus is overigens wel te begrijpen. Door de vergrijzing gaan de komende jaren veel mensen met pensioen. Hun banen verdwijnen niet allemaal. Een groot deel van die werknemers zal moeten worden vervangen.
Daarvoor hoeven dus niet eerst duizenden nieuwe banen te worden gecreëerd. Veel van die banen bestaan al. De vrees is kennelijk dat Maastricht straks onvoldoende mensen heeft om ze te vervullen.
Dat is een verdedigbare zorg. Onderzoek van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt van de Universiteit Maastricht liet eerder zien dat negen van de tien baanopeningen tot 2028 niet ontstonden door economische groei, maar doordat werknemers moesten worden vervangen. Bijvoorbeeld omdat zij met pensioen gingen, voor zorgtaken kozen of overstapten naar een ander beroep.
Alleen volgt daar nog altijd niet uit dat Maastricht precies 10.000 tot 15.000 nieuwe inwoners tussen de 25 en 45 jaar nodig heeft.
Om dat te kunnen zeggen, zou de gemeente moeten laten zien hoeveel Maastrichtse banen daadwerkelijk vrijkomen, hoeveel daarvan niet kunnen worden ingevuld door mensen die hier al wonen en hoeveel arbeidskrachten daarom van buiten moeten komen.
Dat doet Mackus niet. Zijn getal komt niet uit een arbeidsmarktprognose, maar uit de bevolkingspiramide.
Beroepsbevolking is veel groter
Ook het gebruik van het woord beroepsbevolking is opmerkelijk. Volgens de officiële definitie van het CBS bestaat de beroepsbevolking uit mensen die betaald werk hebben én mensen die geen werk hebben, maar daar wel actief naar zoeken en direct beschikbaar zijn. Het CBS kijkt daarbij doorgaans naar iedereen van 15 tot 75 jaar.
Mackus beperkt zich tot de groep van 25 tot en met 45 jaar. Dat kan een aantrekkelijke doelgroep zijn voor het gemeentebestuur, maar het is niet hetzelfde als de beroepsbevolking. Ook tienduizenden Maastrichtenaren tussen de 45 en 67 jaar werken. Jongeren onder de 25 doen dat eveneens.
Als Mackus eigenlijk het aantal werkenden bedoelt, gebruikt hij bovendien de verkeerde term. Tot de beroepsbevolking behoren immers ook werkzoekenden.
Waarom is 2020 de norm?
De volgende onbeantwoorde vraag is waarom de bevolkingsopbouw van 2020 als ideaalbeeld voor 2050 wordt genomen.
De Maastrichtse economie van 2050 zal er vermoedelijk anders uitzien dan die van 2020. Beroepen verdwijnen, nieuwe beroepen ontstaan en bedrijven produceren mogelijk met minder mensen meer. Niet iedere werknemer die met pensioen gaat, hoeft daarom één op één te worden vervangen.
Toch redeneert de gemeente precies zo. Zijn er in 2050 minder 25- tot 45-jarigen dan in 2020, dan moeten die ontbrekende mensen kennelijk worden aangevuld.
Maar wie heeft bepaald dat de leeftijdsverdeling uit 2020 ook dertig jaar later nog de juiste verhouding is? En waarom zou een afname van 10.000 inwoners in één leeftijdscategorie automatisch betekenen dat de stad 10.000 werknemers tekortkomt?
Het antwoord van Mackus geeft daar geen onderbouwing voor.
Maastricht is geen eiland
Daar komt bij dat de arbeidsmarkt niet ophoudt bij het bord „gemeente Maastricht”.
Duizenden mensen die in Maastricht werken, wonen in het Heuvelland, Parkstad, Sittard-Geleen, België of Duitsland. Omgekeerd wonen in Maastricht mensen die elders werken. Alleen al vanuit België en Duitsland pendelden volgens eerder onderzoek ongeveer 5.100 werknemers naar Maastricht.
De Maastrichtse economie draait dus niet uitsluitend op inwoners van Maastricht. Zeker in deze grensregio is het te simpel om vanuit de bevolkingsopbouw binnen de gemeentegrenzen te berekenen hoeveel werknemers de lokale economie straks tekortkomt.
Dat betekent niet dat Maastricht geen woningen voor werknemers moet bouwen. Het betekent wel dat wonen en werken op de schaal van Zuid-Limburg en de Euregio bekeken moeten worden. Mackus erkent dat regionale afspraken nodig zijn, maar zijn kernberekening blijft uitsluitend op de Maastrichtse bevolking gebaseerd.
Kinderen
In het antwoord zit bovendien een opvallende tegenstrijdigheid. Eerst schrijft Mackus dat Maastricht 10.000 tot 15.000 mensen „in de leeftijdsgroep 25 tot en met 45” moet aantrekken. Het gaat dan dus om 10.000 tot 15.000 volwassenen.
Vervolgens heeft onderzoeksbureau Stec gerekend met grotere huishoudens, omdat in de Omgevingsvisie wordt gesproken over mensen van 25 tot 45 jaar „en hun kinderen”.
Dan zijn er twee mogelijkheden.
Of de 10.000 tot 15.000 mensen zijn allemaal volwassenen. In dat geval komen hun kinderen daar nog bovenop en groeit Maastricht dus met aanzienlijk meer dan 15.000 inwoners.
Of de kinderen worden meegeteld binnen de groei van 10.000 tot 15.000 inwoners. In dat geval zijn lang niet alle nieuwe inwoners tussen de 25 en 45 jaar en wordt het berekende gat in die leeftijdsgroep dus niet gevuld.
Beide redeneringen kunnen niet tegelijkertijd kloppen.
Eerst woningen of eerst banen?
De vraag blijft vervolgens of Maastricht eerst woningen moet bouwen om werknemers aan te trekken, of eerst voor banen moet zorgen voordat duizenden woningen worden gebouwd.
Het antwoord is niet zwart-wit.
Als bestaande werkgevers nu al moeilijk personeel kunnen vinden en de komende jaren veel werknemers met pensioen gaan, kan een tekort aan geschikte en betaalbare woningen de personeelsproblemen vergroten. Mensen kunnen pas in Maastricht komen werken en wonen als er ook een woning beschikbaar is. In die zin hoeven de banen niet allemaal nog te worden gecreëerd: een deel bestaat al of komt door pensionering beschikbaar.
Maar woningen alleen brengen geen gezinnen naar Maastricht. Mensen verhuizen niet uitsluitend omdat ergens een huis staat. Ze kijken ook naar werk, inkomen, bereikbaarheid, voorzieningen, woningprijzen en de vraag of een eventuele partner eveneens werk kan vinden.
Woningbouw kan bevolkingsgroei mogelijk maken. Woningbouw veroorzaakt die groei niet vanzelf.
Juist daarom is het werkgelegenheidsscenario van Stec relevanter dan het ambitiescenario. In dat werkgelegenheidsscenario wordt de groei tenminste gekoppeld aan vrijkomende banen, de ontwikkeling van de Brightlands-campus en de mogelijke komst van de Einstein Telescope.
Dat scenario komt uit op ongeveer 10.710 extra inwoners en 4.690 huishoudens. Het ambitiescenario gaat uit van 15.000 inwoners en 6.735 huishoudens. Het verschil — ruim 4.000 inwoners en meer dan 2.000 huishoudens — wordt dus niet rechtstreeks verklaard door de geraamde werkgelegenheid.
De cirkel is nog altijd rond
Het antwoord van Mackus maakt eindelijk duidelijk waar het getal van 10.000 tot 15.000 extra inwoners vandaan komt. Niet uit het woonbehoefteonderzoek van Stec, want dat kwam later. Niet uit een prognose van het aantal banen. En ook niet rechtstreeks uit een onderzoek van het CBS.
De gemeente heeft zelf het verschil genomen tussen de leeftijdsopbouw van 2020 en de verwachte leeftijdsopbouw van 2050. Vervolgens heeft zij besloten dat dit verschil moet worden weggewerkt om een „passende beroepsbevolking” te behouden.
Daarna is de redenering rondgemaakt.
Maastricht wil 10.000 tot 15.000 jonge inwoners aantrekken. Voor die mensen zijn woningen nodig. Stec heeft vervolgens uitgerekend hoeveel woningen daarvoor moeten worden gebouwd. En die uitkomst wordt nu gebruikt om de oorspronkelijke groeiambitie te onderbouwen.
Dat is nog altijd dezelfde cirkelredenering: eerst wordt een politieke ambitie gekozen, daarna wordt berekend wat nodig is om die ambitie te verwezenlijken en vervolgens wordt die berekening gepresenteerd als bewijs dat de ambitie noodzakelijk is.
De oorsprong van het getal is dankzij Mackus nu duidelijker. Maar de vraag waarom Maastricht daadwerkelijk 10.000 tot 15.000 extra inwoners nodig heeft, is nog altijd niet beantwoord.


Al ons nieuws is en blijft gratis, maar waardeert u ons werk, steun dan De Nieuwe Ster.
