Inhoudsopgave
Met het toetreden van Sabine Kern als zesde wethouder voor de SPM is het college compleet. Kern werd in 2016 uitgeroepen tot 'beste ambtenaar'. Ze heeft een lange ambtelijke bestuurlijke carrière al achter de rug. Kern past met die achtergrond precies bij de andere vijf wethouders. De zes van Maastricht hebben zonder uitzondering hun loopbaan opgebouwd binnen de overheid, de politiek of daaraan gelieerde organisaties.
ANALYSE
Wie zoekt naar ervaring in het ondernemerschap of het commerciële bedrijfsleven, moet goed zoeken. Dat hoeft geen probleem te zijn; bestuurlijke ervaring is immers waardevol. Maar het roept wel de vraag op of een stadsbestuur zonder ondernemers aan tafel voldoende gevoel heeft voor de dagelijkse werkelijkheid van bedrijven die iedere maand opnieuw hun omzet moeten verdienen.
Wie de LinkedIn-profielen van de zes wethouders naast elkaar legt, ziet een opvallend patroon.
Sabine Kern bouwde haar loopbaan op bij Rijkswaterstaat en Waterschap Limburg en werd in 2016 zelfs uitgeroepen tot Beste Ambtenaar van Nederland.
Giuseppe Noteborn (VVD) werkte als programmamedewerker voor de Provinciale Energiestrategie en als beleidsadviseur energie bij de Provincie Limburg.
Marlou Jenneskens (D66) werkte jarenlang als bestuursadviseur bij de provincie, vervolgens bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan projecten als de Rijke Schooldag en de Gelijke Kansen Alliantie. Alleen haar periode bij communicatiebureau ViaStory vormt een uitstapje buiten de overheid.
Manon Fokke (PvdA) werkte achtereenvolgens bij de Universiteit Maastricht, de rechtbank, opnieuw de universiteit, vervolgens als Tweede Kamerlid, daarna opnieuw in de publieke sector bij Rijkswaterstaat en de Nederlandse Vereniging van Rekenkamers. Sinds 2022 is zij wethouder van Financiën.
Hubert Mackus (CDA) bewoog zich vrijwel zijn hele carrière binnen politiek en overheid: medewerker van de CDA-fractie in de Tweede Kamer, bestuursassistent van een gedeputeerde, directeur van CDA Limburg, wethouder, gedeputeerde en nu opnieuw wethouder.
Jeroen Hoenderkamp (GroenLinks) vormt nog het meest gemengde profiel. Hij werkte als adviseur bij Vrijbaan, Radar en adviesbureau PC Kwadraat, had enkele jaren zijn eigen adviesbureau Hoenderkamp Advies naast een functie bij de gemeente Maastricht en vervulde vervolgens functies bij de gemeente Eindhoven en zorgorganisatie Koraal. Ook zijn advieswerk richtte zich grotendeels op overheden, zorginstellingen en het sociaal domein. Van langdurige ervaring als ondernemer in een concurrerende markt is ook bij hem nauwelijks sprake.
Wie de carrières naast elkaar legt, ziet een college dat vooral bestaat uit mensen die weten hoe overheden functioneren. Dat is op zichzelf logisch: gemeenten zijn complexe organisaties waarin kennis van wetgeving, financiën en bestuursprocessen onmisbaar is. Maar tegelijkertijd ontbreekt vrijwel volledig de praktijkervaring van mensen die jarenlang zelf een onderneming hebben opgebouwd.
Wat opvalt, is niet alleen waar de wethouders wél hebben gewerkt, maar vooral waar niet.
Geen van de wethouders heeft jarenlang een commercieel bedrijf geleid dat afhankelijk was van klanten, omzet en winst. Niemand heeft een productiebedrijf, winkel, horecazaak of handelsbedrijf opgebouwd. Niemand heeft langdurig personeel moeten betalen uit eigen omzet, investeringen moeten terugverdienen in een concurrerende markt of zelf de financiële gevolgen ondervonden wanneer opdrachten uitbleven.
Dat betekent niet dat bestuurders geen verstand kunnen hebben van economie. Wel betekent het dat ondernemersvraagstukken vooral worden benaderd vanuit beleid, regelgeving, subsidiekaders en publieke financiering, en niet vanuit de dagelijkse praktijk van ondernemen.
Misschien is de interessantste vraag wel waarom ondernemers tegenwoordig nauwelijks nog wethouder worden.
Het wethouderschap is voor veel ondernemers simpelweg geen aantrekkelijke carrièrestap meer. Wie een goedlopend bedrijf heeft, moet dat grotendeels loslaten voor een functie die financieel vaak minder aantrekkelijk is dan het ondernemerschap. Daar staat een werkweek tegenover die gemakkelijk boven de vijftig uur uitkomt, met avondvergaderingen, recepties, werkbezoeken en tal van representatieve verplichtingen.
Bovendien is het politieke afbreukrisico groot. Een ondernemer kan na jaren investeren in zijn bedrijf wethouder worden en enkele jaren later door een politieke crisis of een gewijzigde coalitie zonder functie vertrekken. Anders dan veel bestuurders uit de publieke sector kan hij niet vanzelfsprekend terugvallen op een eerdere werkgever.
Daar komt nog een cultuurverschil bij. Ondernemers zijn gewend snel besluiten te nemen, kansen te benutten en direct verantwoordelijkheid te dragen voor de uitkomst. In de gemeentepolitiek verlopen besluiten via ambtelijke voorbereiding, juridische toetsing, inspraakprocedures, coalitieoverleg en politieke compromissen. Voor veel ondernemers voelt dat traag en weinig ondernemend.
Het is dan ook niet vreemd dat steeds minder ondernemers de overstap naar het openbaar bestuur lijken te maken. Daarmee dreigt echter ook een belangrijk perspectief uit het bestuur te verdwijnen.
Of een bestuurdersachtergrond invloed heeft op beleid, is moeilijk te bewijzen. Wel bepaalt iemands professionele ervaring vaak welke vragen als eerste worden gesteld.
Een ondernemer zal bij een investering al snel vragen: wat kost het, wie betaalt het, wat levert het op, welke risico's lopen we en wat gebeurt er als het tegenvalt?
Een bestuurder of ambtenaar zal eerder kijken naar maatschappelijke meerwaarde, beleidsdoelen, regelgeving, uitvoerbaarheid en publieke belangen.
Beide invalshoeken zijn legitiem, maar leiden niet altijd tot dezelfde keuzes.
Juist in Maastricht liggen de komende jaren dossiers op tafel waarbij die verschillende perspectieven zichtbaar kunnen worden.
Neem de invoering van de zero-emissiezone. Voor de gemeente is dat een logische stap richting duurzamere mobiliteit. Voor veel ondernemers betekent het echter forse investeringen in nieuwe bedrijfswagens, onzekerheid over uitzonderingsregelingen en extra kosten boven op de toch al stijgende lasten.
Ook de voortdurende investeringen in Brightlands Maastricht Health Campus worden door voorstanders gezien als noodzakelijk om de kenniseconomie te versterken. Tegelijkertijd klinkt regelmatig de vraag hoeveel publiek geld daar de komende jaren nog naartoe moet en hoe zichtbaar het economische rendement uiteindelijk is voor de gemiddelde Maastrichtse ondernemer.
Op cultureel gebied speelt een vergelijkbare discussie. De gemeente reserveerde bijna 17 miljoen euro voor een nieuwe middenzaal van ongeveer 350 tot 400 stoelen bij Theater aan het Vrijthof. Tegelijkertijd wordt gewerkt aan de restauratie en herontwikkeling van de Bonbonnière, waarvoor bedragen van ongeveer 30 miljoen euro worden genoemd. Beide accommodaties richten zich deels op hetzelfde segment van middelgrote voorstellingen. Dat roept de vraag op of Maastricht straks twee met publiek geld gefinancierde zalen krijgt die elkaar deels beconcurreren.
Ook de toekomst van MVV Maastricht zal opnieuw politieke keuzes vragen. De discussie over een nieuw of vernieuwd stadion draait niet alleen om sport, maar ook om economie. MVV wijst op de maatschappelijke en economische betekenis van betaald voetbal voor de stad, terwijl de gemeente zal moeten afwegen hoeveel publiek geld daarvoor beschikbaar is en welke risico's daarbij horen.
Een ander dossier dat eraan komt, is de toekomst van de Q-Park-parkeergarage onder het Vrijthof. Zodra bestaande afspraken aflopen, zal opnieuw moeten worden nagedacht over exploitatie, parkeertarieven, bereikbaarheid en de economische gevolgen voor de binnenstad. Ook daar zullen publieke belangen en ondernemersbelangen elkaar ontmoeten.
Geen van deze dossiers kent een eenvoudig goed of fout. Maar juist daarom is de samenstelling van een college relevant.
Het nieuwe Maastrichtse college bestaat uit bestuurders met veel ervaring binnen overheid, politiek en maatschappelijke organisaties. Dat biedt voordelen: zij kennen de bestuurlijke processen, weten hoe beleid tot stand komt en hebben ruime ervaring met publieke besluitvorming.
Tegelijkertijd ontbreekt vrijwel volledig het perspectief van iemand die jarenlang voor eigen rekening en risico een onderneming heeft geleid. Iemand die dagelijks afhankelijk was van klanten, omzet, investeringen en concurrentie.
Dat betekent niet dat het college onvoldoende oog zal hebben voor ondernemers. Wel betekent het dat de ondernemersblik niet vanzelfsprekend aan de bestuurstafel aanwezig is.
Misschien is dat wel de belangrijkste conclusie. Niet dat Maastricht wordt bestuurd door een "college van ambtenaren" – daarvoor is de werkelijkheid te genuanceerd – maar dat de stad een college krijgt waarin bestuurlijke ervaring overvloedig aanwezig is, terwijl praktijkervaring uit het ondernemerschap vrijwel ontbreekt. In een stad die zich graag profileert als economische motor van Zuid-Limburg is dat een opvallende constatering. Misschien is het juist daarom verstandig dat het nieuwe college de komende jaren niet alleen luistert naar de eigen ambtelijke organisatie, maar ook structureel het gesprek aangaat met ondernemers die dagelijks ervaren wat gemeentelijk beleid betekent voor investeringen, werkgelegenheid en economische groei.





